Wortelknolletjes in de winter

Trek eens een bonenplant uit de grond. Of een erwtenplant, of een klaver, of een brem. Het maakt niet uit, als het maar gebeurt met wortel en al. En kijk dan eens naar het wortelstelsel. Als het goed is zitten er kleine bultjes op. Wortelknolletjes worden ze genoemd. Ze zijn onmisbaar voor deze planten. Er wordt namelijk eten bereid.

In zo'n wortelknolletje barst het van de bacteriën. Deze piepkleine organismen werken als kok voor de plant. Ze veranderen iets oneetbaars in een lekkere hap. Ze kokkerellen met stikstof.

Planten moeten stikstof binnen krijgen om te groeien en te bloeien. Verder hebben ze waterstof, koolstof en zuurstof nodig. Nu zou je zeggen: dan haalt de plant zijn stikstof gewoon uit de lucht, want lucht bestaat er voor tachtig procent uit. Maar dat is nou net de ellende. Dat kan een plant niet. De stikstof in de lucht is niet eetbaar voor de plant.

Erwten, bonen en een heleboel andere planten hebben daar iets op gevonden. Ze zijn gaan samenwerken met bacteriën. Die verzamelen zich met de miljoenen in een wortelknolletje, onder de grond. Ook daar zit stikstof. De bacteriën kunnen wèl stikstof eten. En dan komt de grote truc. De bacteriën veranderen het stikstof. Ze plakken er waterstof aan vast en maken er ammoniak van. De bacteriën spugen het ammoniak uit en schotelen het voor aan de plant. Ammoniak is voor hem wel eetbaar. En zo komt de plant toch aan zijn broodnodige stikstof.

Boeren maakten in de vorige eeuw slim gebruik van dit mechanisme. In de winter zaaiden ze bijvoorbeeld klaver op hun akkers. Klaver stopt zich via zijn wortelknolletjes helemaal vol met stikstof. In het voorjaar werd de klaver dan omgeploegd. De dode planten, volgepropt met stikstof, bleven op het land liggen. Vervolgens plantte de boer een gewas. Maïs bijvoorbeeld, of tarwe. Deze gewassen hebben veel stikstof nodig om snel te groeien. En dat stikstof halen ze uit de achtergebleven klaverplantjes.

In China gebruikten ze geen klaver. 's Winters stond er wikke op hun land. 's Zomers groeide er rijst. De rijstplanten aten de stikstof die in de wikke was opgeslagen. En in Japan deden ze het weer anders. Op hun natte rijstvelden plantten ze eerst het watervarentje. Deze plant heeft geen knolletjes op zijn wortels. De stikstof-etende bacteriën zitten verstopt in grote holten in de bladeren. Het watervarentje propte zich met behulp van die bacteriën vol met stikstof. Daarna kwam er rijst op het veld.

Inmiddels is alles anders. De stikstof-proppers, zoals klaver en wikke, zijn vervangen. Door kunstmest. Een boer hoeft alleen nog maar wat kunstmest over zijn land te zaaien, en klaar is ie. Geen klaver of wikke meer planten. Geen onkruid meer hoeven wegplukken tussen deze plantjes. Niet meer hoeven omploegen. Alleen maar, hup, wat korreltjes strooien. Kunstmest heeft het een stuk makkelijker gemaakt.