Wij zeggen nu eenmaal Pékin en Londres

Waar moet het heen als Fransen over `airbags' en `walkmans' spreken? Frankrijk vindt het tijd voor taalkundige dijkbewaking.

Het loopt tegen achten in de avond, een uur waarop de meeste Nederlandse ambtenaren hun trein en file al lang vergeten zijn. De vergaderzaal van het oude Ministerie van Francofonie in Parijs ademt een bewogen spanning. Ruim dertig mannen en vrouwen zijn bijeen om strijd te voeren. Vóór hun taal.

De voorzitter is een bekend socioloog, Dominique Wolton. Hij heeft bijna drie uur een verhit debat geleid over de vraag hoe capacity building en gender awareness, termen uit het vrouwenbeleid van de Verenigde Naties, in goed Frans moeten worden vertaald. `Developpement des capacités' en `Sensibilisation aux spécificités sexuelles' bevielen de aanwezigen matig, maar niemand bedacht iets dat korter en beter was.

Vóór hij de Commissie Terminologie en Neologie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken afhamert, geeft Wolton nog een klaroenstoot: ,,Onze taak is het Frans bewaken. Het is lastig genoeg in de wetenschap aan het Frans vast te houden. Voor het buitenlands beleid hebben wij een normatieve taak. Principes verdedigen is belangrijker dan de realiteit bevestigen.'' Aanleiding was de twistappel van de laatste drie kwartier: de vraag of Venezuela in het Frans voortaan mét of zonder accents aigus wordt geschreven.

De kwestie verdeelt de gemoederen. Venezuela staat in een rijtje vreemde landen waar volgens de systematiek van de Franse taal accenten op horen, maar waar de duidelijkheid geen schade lijdt bij weglating. Degenen die zich meer naar de spelling van het land in kwestie richten, zijn fel tegen streepjes, die zij als typisch Franse arrogantie zien. Een oud-ambassadeur in Latijns-Amerika hangt die lijn aan. Een hoogleraar Engels beproeft een middenstandpunt: ,,In het Spaans zetten ze overal accenten op, het kan hen niet schelen of wij dat op Venezuela doen.'' Maar zo makkelijk laat de accentpartij niet los. Een ernstig bebaarde docent Frans uit het middelbaar onderwijs wijst op de didactiek: ,,Laten wij toch coherentie nastreven! Het bijzondere van de Franse taal is dat spelling en uitspraak bij elkaar horen. Als je daar soms van afwijkt, hoe kunnen kinderen, journalisten en buitenlanders dan ooit correct Frans leren schrijven?''

Een middeljonge dame, die uit Genève is overgekomen voor de vergadering, is verontwaardigd dat haar kinderen op de Franse school Beijing moeten schrijven in plaats van Pékin. De hoogleraar Engels blijft pragmatisch: ,,Het Frans is onze taal en onze zaak. Wij vragen de Witrussen ook niet hoe wij hun land moeten spellen. Wij zeggen nu eenmaal Pékin, Londres en Rome. Waarom besluiten we niet dat Venezuela mét streepjes wordt geschreven, maar dat het ook zonder kan?''

Voorzitter Wolton grijpt in: ,,Wij zijn geen reisbureau. Wij zijn gewikkeld in een strijd tegen de standaardisering en simplificatie. Er is een taalkundig machtsoverwicht dat niet alleen het Frans bedreigt. De dominante talen rukken op. Het Spaans en het Portugees hebben zich weten te handhaven door hun verschillen te onderstrepen. Als het Frans dat niet mag, kunnen we wel ophouden. Als wij het Frans niet verdedigen, wie verdedigt het dan?''

Slecht Engels

Gaat het Frans verdwijnen? Dat is een benauwende vraag waar Frankrijk liever niet aan denkt. De hele wereld schakelt over op slecht Engels. Overal staat het Frans onder druk. Op de Champs-Elysées worden `cheeseburgers' aangeboden. Iedere nieuwe auto heeft een airbag. Noodmaatregelen zijn geboden. Eerste Hulp-woorden om niet overspoeld te worden: logiciel in plaats van software. La Toile in plaats van World Wide Web. Télécopie voor fax. Is Beleid denkbaar om het tij te keren?

Frankrijk trok in 1994 internationale aandacht toen de minister van cultuur, Jacques Toubon, een wet liet opstellen om de taalkundige dijkbewaking te organiseren. De Angelsaksische woordenvloed moest worden gekeerd. Het moest uit zijn met drop shots op de Franse televisie, zeker als het ging om tennis van de eigen Roland Garros-banen.

,,Laten we verbieden dat het Frans ons wordt verboden'', zei de minister in het parlement. ,,Het Frans mag niet het Latijn van het Engels worden''. Hij stelde het gebruik van de Franse taal verplicht in reclame-uitingen, op verpakkingen, in gebruiksaanwijzingen, en in het algemeen in het gesproken en gedrukte woord `wanneer een Franse uitdrukking of term bestaat met dezelfde betekenis'. De Franse popzenders moesten minimaal veertig procent Franse muziek uitzenden.

Enkele Kamerleden en sommige media maakten Toubons `taalpolitie' belachelijk. Le Monde schreef over `nostalgie naar een verloren glorie', maar de wet kwam vlot door het parlement. Wetenschappelijke congressen in Frankrijk moesten voortaan in het Frans worden gehouden en iedere bijdrage moest in het Frans beschikbaar zijn.

Het was geen defensieve aanpak, hield de minister vol, ,,deze wet beweegt zich tussen snobisme en purisme, en bevrijdt iedereen die Frans wil spreken van de zorg of het overdreven is een goede Franse uitdrukking te gebruiken als een Engelse in de mode is geraakt. Wij geven de Franse taal een nieuw elan, een nieuwe rechtvaardiging''. Minister Jack Allgood, zoals spotters hem noemden, zag zijn wet binnen enkele weken gedeeltelijk ontkracht door de Constitutionele Raad. Het hoge college oordeelde dat de tekst op belangrijke onderdelen in strijd was met de grondwettelijke vrijheid van expressie. Fransen mogen zich sinds 1789 zo uitdrukken als zij wensen. Als zij walkman, airbag of `bon weekend' willen zeggen kan de regering hen niet baladeur, ballon gonflable of bonne fin de semaine opleggen.

Sindsdien is Toubon verdwenen in het oppositiemoeras. Zijn wet bindt alleen de handel en de overheid. De rest van het volk is vrij te kiezen tussen soft drink en boisson non alcoolisée, tussen digital en numérique. De linkse regering-Jospin timmert minder aan de weg met de strijd voor het Frans, die zij kennelijk als conservatief ervaart. Maar winkels waar `ordinateurs' worden verkocht – wat men computers noemt in de rest van de wereld – zeggen nog steeds dat zij geen Engelstalige software mogen verkopen.

Bretons

Toen Jospin eerder dit jaar het Europese Charter voor de Regionale talen grondwettelijk wilde erkennen, greep president Chirac in. De publieke opinie deed mee: het Frans was de taal van de Republiek. Geen sprake van dat het Bretons, Occitaans of Baskisch gelijke rechten kreeg. Chirac verwees naar de Grondwet. Sinds 1992 vermeldt die de symbolen van de Republiek: de driekleur, de Marseillaise, de Franse franc (nog even) en de Franse taal.

Bernard Cerquiglini is voorzitter van de Conseil Supérieur de la Langue Française en een vooraanstaand linguist. Hij herinnert zich dat de Senaat en de Assemblée Nationale in '92 bang waren dat `Brussel' het Engels als officiële taal in de Europese Unie zou opleggen. Dat werd gezien als een bedreiging van de soevereiniteit. ,,Sinds de 16de eeuw is het Frans de taal van de koning. François I streed tegen de macht van de kerk door het latijn te bestrijden. Hij wilde de justitie uit handen van de kerk, en maakte het Frans de taal van het recht. De Revolutie [van 1789] moest ook niets hebben van regionale talen, die de contra-revolutie droegen. De bloedige oorlog in de Vendée was deels een taal-oorlog. Doel van de unificatie was officieel dat het hele volk de regering zou begrijpen, maar het Frans is altijd opgelegd ten koste van andere talen. Tweetaligheid was geen optie. De 19de-eeuwse openbare school en daarna de Eerste Wereldoorlog rekenden definitief af met regionale talen: in de loopgraven moest iedereen elkaar kunnen verstaan. Taal en staat zijn in Frankrijk altijd hand in hand gegaan. De driehoek staat-taal-natie is onverbrekelijk. De natie is via de taal gevestigd. Met succes, de Franse burger hangt sterk aan de waarden van de natie, via de taal. Dat gaat dieper dan de schoonheid, maar toch uit die liefde zich vooral via aanhankelijkheid aan de spelling. Er zijn waardiger objecten van liefde, de klank van de taal, of de syntaxis, maar nee, iedereen moet aan het Nationale Dictée van Bernard Pivot meedoen uit `liefde voor het Frans'.''

Sinds 1996 heeft het Frans een pleitbezorger. Dat is de Délégation à la langue Française, die uit een kantoor tegenover de Eiffeltoren toeziet op de naleving van de wet-Toubon. Althans, dat doet de fraude-dienst van het Ministerie van Handel op haar aanwijzingen. Af en toe krijgt een bedrijf een tik op de vingers. De Body Shop en een bedrijf dat Afro-haarproducten verkocht kregen een boete omdat op geen potje een woord Frans stond. Een Amerikaanse universiteit moest uitleggen waarom haar Franse filiaal een louter-Engelstalige website had.

De strijd is in de praktijk gericht op de bescherming van de consument, want die heeft daar de meeste behoefte aan, vertelt Anne Magnant, directeur van de Délégation. De regels over wetenschappelijke congressen worden slecht nageleefd, en het lukt ook maar matig op congressen in het buitenland Franse simultaan vertalingen te krijgen. ,,Natuurkundigen communiceren in het Engels, het valt te betreuren, maar zo is het. Dat neemt niet weg dat het Frans de blijvende ambitie heeft een internationale taal te zijn, naast het Engels. Binnen Frankrijk hebben de mensen er behoefte aan. Internationaal gezien is het moeilijk vol te houden. In het internationaal verkeer is het Frans sterk teruggevallen. Je ziet het in de diplomatie, de handel en het onderwijs, met name in Noord-Europa,'' aldus Magnant. De Délégation spant zich in om binnen de Europese Unie en andere internationale organisaties meertaligheid de norm te laten blijven. Men zorgt dat Europees geld wordt besteed aan vertaal-software en zoekmachines voor databanken die men in gewone mensentalen, waaronder Frans, kan ondervragen. Frankrijk heeft tolken ter beschikking gesteld van de Olympische Spelen van 2000 in Sydney, opdat de website en de overige voorlichting ook Frans zullen zijn.

Goedgekeurd

Het taalkantoor van Anne Magnant is, met een totale begroting van 3,5 miljoen gulden, vooral belast met de `verrijking' van de Franse taal – het universeel opleggen van hoe het hoort is de overheid niet meer gegeven sinds het kritische oordeel van de Constitutionele Raad over de wet-Toubon. Men subsidieert Franse boeken en artikelen en publiceert lijsten met goedgekeurde Franse vaktermen. Met dat doel zijn binnen de meeste ministeries commissies ingesteld die op hun gebied Franse alternatieven zoeken voor soms al ingeburgerde Engelse termen.

De aanbevelingen van die commissies gaan naar de Algemene Commissie voor Terminologie en Neologie, bemand door hoogwaardigheidsbekleders, deskundigen en wijzen. Die vinden het niet leuk dat de vrucht van hun arbeid volgens een drie jaar oude regeling naar de Académie Française moet voor goedkeuring. Op een vochtige herfstochtend komen de leden bijeen om enige woorden uit de nucleaire technologie en een tweede internet-lijst te bespreken. Al snel komt het sluimerende conflict naar de oppervlakte. Het woord crayon betekent potlood, maar het is ook een term uit de kernenergie. Van de Académie moet er `bijzondere betekenis' bij staan. De nucleaire specialisten uit de commissie verzetten zich daar tegen: in een professionele woordenlijst spreekt dat voor zich. Alain Rey, hoofdredacteur van de Robert woordenboeken, is explicieter: ,,Het is een opdracht de lezer voor imbeciel te houden. Als de Académie Française dat wil, laten we het dan in een apart lettertype aangeven, zodat het zo min mogelijk opvalt.''

Er wordt wel gelachen, maar vooral fel gestreden in de Algemene Commissie. Een jonge ambtenaar zwijgt competent namens de Onsterfelijken, zoals de Académiciens graag worden aangeduid. Hun Secretaris voor het Leven, Maurice Druon, is lid van de Commissie, maar het is opnieuw lastig vast te stellen of hij nog bestaat. Bij verzoeken om een gesprek over de hoge zaak van de taal laat hij zich altijd door een kleine, maar ondoordringbare hofhouding afschermen. Zonder te antwoorden. In deze vergadering is zijn persoonlijke afgezant niemand minder dan Bertrand Poirot-Delpech, rubrieksschrijver over taal en cultuur van Le Monde. Deze waarschuwt tijdens de zitting met een zeker gevoel voor actualiteit dat de wereld van de informatica een bruuske toename van vreemde invloeden veroorzaakt. ,,Op andere gebieden kunnen wij volstaan met rustig volgen. Hier constateren wij een snelle popularisering van buitenlandse termen. De Académie is verontrust over de opmars van anglicismen en néologies sauvages''. Na afloop vertelt Poirot-Delpech dat de donderdagse zittingen van de Académie, die sinds jaar en dag werkt aan het Woordenboek van de Franse Taal, voor de helft worden gevuld door lijsten met vaktermen en nieuwe woorden. Meestal zijn de leden in het geheel niet bekend met het terrein in kwestie. Hij kan zelf met een simpele computer omgaan, maar `de meesten hebben geen idee wat internet is'.

Maurice Druon heeft meer dan eens geschreven dat de verdediging van het Frans geen kwestie van specialisme of nationalisme is. Het Frans bezit universele kwaliteiten die het beschermen waard zijn. ,,Het is een heldere, nauwkeurige en genuanceerde taal die geschikt is voor alle vormen van expressie.''

Als wij het Frans niet verdedigen, wie verdedigt het dan?

Alle goedgekeurde woorden zijn te vinden op: www.culture.fr/culture/dglf