Wachten op de ontploffing

Het rondhollen van mensen is rijker dan dat van mieren, omdat wij de brief kennen: de liefdesbrief, de bonsbrief en de bombrief. Dood, liefde en brief zijn bovendien onmisbare elementen van alle literatuur. Vandaar: een heel nummer van Boeken over brieven.

De brief is ouder dan het boek.

Dat is raar want de schreeuw is ouder dan het gesprek. De schreeuw is een mededeling uit de mond van één persoon die bestemd is voor iedereen die oren heeft en zich in de buurt bevindt. Desnoods is er helemaal geen hoorder. De schreeuwer zegt tegen eenieder: ``Pas op, daar sluipt een leeuw!'', of ``Au!'', of hij plaatst een huwelijksadvertentie en hij claimt een bepaald stuk grondgebied. Uit de schreeuw van één naar veel heeft zich heel langzaam het gesprek tussen twee personen ontwikkeld die beurtelings luisteren en spreken. De meeste beesten zitten nog in het stadium van de schreeuw.

Maar toen het schrift was uitgevonden, ging de ontwikkeling net andersom. De brief is een mededeling uit de pen van één persoon die bestemd is voor één speciale andere persoon die helaas niet in je buurt is. Voor het schrift bestond, moest je in zo'n geval een bode aanstellen, die je boodschap uit zijn hoofd leerde. De bode kon zich vergissen. Die bode kon op zijn falie krijgen als zijn boodschap onwelkom was. Die bode wist een jaar later niet meer wat de boodschap geweest was. De brief is een betrouwbare, onstrafbare, en eeuwig onthoudende bode.

Uit de brief, van één schrijver naar één lezer, heeft zich langzaam het boek ontwikkeld, van één schrijver naar veel lezers. Brief en boek onderhouden een nauwe band. Er zijn boeken in brieven en er zijn brieven in boeken.

Toen de roman aarzelend ontwaakte, was de epistolaire roman zeer populair. Het is geen toeval dat dit proces zich afspeelt in de tijd dat de post werd uitgevonden. De achttiende eeuw pronkt met alle internationale meesterwerken, van Richardsons Engelse Pamela, via Goethes Duitse Werther tot Choderlos de Laclos' Franse Liaisons dangereuses, dat in hetzelfde jaar verschijnt als ons nationale meesterwerk De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, geschreven (`niet vertaalt' zegt de titelpagina) door E. Bekker, weduwnares van dominee Wolf, en A. Deken.

Het genre leeft nog steeds. Soms zijn de brieven afkomstig uit echte archieven en vormen ze het materiaal voor de schrijver, zoals bij Mevrouw Bentinck en De heren van de thee van Hella Haasse. Paul de Wispelaere geeft in Brieven uit Nergenshuizen de antwoorden van een schrijver aan een meisje. Die roman wordt voorafgegaan door motto's van grootcorrespondenten Flaubert, Gide en Proust, en eindigt met de vraag – aan de lezer? – `Schrijf ik dit nog aan jou?'. August Willemsen schreef Braziliaanse brieven, die in ieder geval gebaseerd zijn op uit Brazilië verzonden particuliere brieven. Maar schrijft een schrijver ooit werkelijk particuliere brieven?

De brief is intiem. Dus wie intiem wil schrijven, doet of hij een brief schrijft. De lezer schaamt zich niet die brief te lezen. Renée Plate schreef `Brieven aan mijn man', waarvan men fluisterde dat ze in werkelijkheid door die man geschreven waren. De intimiteit is een gevolg van het feit dat de briefschrijfster zogenaamd niet weet dat wij met zijn honderdduizenden haar brief lezen.

De brief is altijd van het moment van schrijven, de briefschrijver weet niet hoe het verder gaat. Dus wie spannend wil schrijven, doet of hij een brief schrijft. De spanning is een gevolg van het feit dat de briefschrijver zogenaamd de toekomst niet kent.

Nadeel van de brievenroman is dat de hoofdpersonen uit elkaars buurt gehouden moeten worden. Zoals een toneelschrijver juist van alles moet verzinnen om twee personen op hetzelfde moment op één toneel te krijgen, zo moet de epistelromanschrijver zijn figuren steeds op reis sturen om ze op afstand te laten communiceren.

Mijn stelling is: er is geen boek waarin niet een brief een rol speelt. Zelfs al zou er een boek bestaan waarin geen brief voorkomt omdat het in de prehistorie of onder analfabeten speelt, dan zal de lezer toch op een moment bij het lezen denken: Waarom komt er geen brief?

Wat dat betreft lijkt de brief op de liefde en op de dood: geen boek kan bestaan zonder aan dood, liefde of brief te denken.

Het gaat daarbij niet altijd om de inhoud van de brief. Zo wordt in Anita Desai's Fasten Feasting een door de vader gedicteerde brief, die een dochter in India aan een zoon in Amerika moet schrijven, het pijnlijk hoogtepunt van de vermorzeling van die dochter. In Nabokovs Lolita zit het scharnier van de vertelling in de brievenbus waarin Lolita's moeder drie brieven wil werpen als ze heeft ontdekt dat Humbert Humbert niet in háár, maar in haar dochter geïnteresseerd is. Als haar dat was gelukt, was de roman heel anders gelopen. Maar ze komt in haar ren naar de brievenbus onder een auto, de brieven vallen op de grond, ze worden aan Humbert Humbert gegeven, die ze in zijn zak verscheurt en de volgende dag probeert aan elkaar te plakken.

Een andere brievenbus speelt de hoofdrol in een verhaal van Poe waarbij een detective – die niet kan vermoeden dat hij de eerste is in een rij van een miljoen detectives die de misdaadliteratuur gaan constiperen – een belangrijke, compromitterende, brief zoekt in een huis dat al door velen op die brief is doorzocht. Waar verstopt men een brief? Inderdaad!

Geniaal is onze taal om het woord brievenbus te schenken aan twee totaal verschillende zaken: de bus die onze opdrachten aan de Post in ontvangst neemt en de bus waar de Post zijn brieven bestelt. In de roman Les liaisons dangereuses worden die twee brievenbussen inderdaad één wanneer twee verlegen gelieven het foedraal van een harp gebruiken als bus voor uitgaande en binnenkomende post. Doet me denken aan een verhaal dat Marja mij vertelde over een meisje dat in de zakken van haar minnaar zocht en er een brief in meende te vinden waarin deze haar ten huwelijk vroeg, tot Marja – hij was de minnaar – haar zei dat het slechts versregels waren.

Wie schrijven de meeste brieven? Verrassend antwoord: dat zijn de beroepsschrijvers. Alsof kunstschilders ook de meeste gevels schilderen. Je zou zeggen dat schrijvers het al druk genoeg hebben met hun romans en verhalen en gedichten en toneelstukken, maar ze schrijven ook nog de meeste brieven. Voltaire, Diderot, Sand – hun brieven worden nu meer gelezen dan hun andere geschriften. Bij Flaubert, Fontane, Cheever, en bij Multatuli, Hanlo, Van Deijssel is het moeilijk kiezen of je hun brieven of hun werken het mooiste vindt. Bij Cicero, Belle van Zuylen en Walraven weten we het: de brieven maken deze drie eeuwig beroemd.

Hoogtepunten zijn natuurlijk de briefwisselingen tussen twee auteurs. Niemand houdt meer van Potgieter of Busken Huet maar hun briefwisseling blijft uiterst leesbaar. Ze schreven elkaar omdat er geen telefoon was, en wij leren er de vorige eeuw door kennen. Niemand leest de romans van Ter Braak en Du Perron, maar hun briefwisseling is het belangrijkste van de Nederlandse literatuur uit het laatste decennium voor de oorlog. Zo is het ook met het duo van de Venetiaanse gelieven Sand en Musset, en van nog eens de stevige George Sand en de oude vrijster Gustave Flaubert, later nagedaan door Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre.

Het is heel gewoon als een schrijver in zijn leven tienduizend brieven schrijft – het is ongewoon dat we ze allemaal terugvinden. Ronald Spoor zegt voorin de door hem samengestelde briefverzameling van Alexander Cohen dat `van geen andere Nederlandse schrijver de brieven zo'n lange periode beschrijven', namelijk van 1888 tot Cohens dood in 1961. Misschien kan zijn vriend Arthur Lehning dit record verbeteren als diens Verzamelde Brieven worden uitgegeven.

Maar komen er nog grote schrijversbrieven-uitgaven? Of wachten we op het internet dat alle brieven uit bibliotheken en musea beschikbaar gaat stellen? Ik hoop van niet, want de editeur van een brief-uitgave doet geen weglaatbaar werk. En veel brieven in bibliotheek of museum zijn niet de moeite waard. Ik wachtte laatst in de Groningse Universiteitsbibliotheek op een brief van Hendrik de Vries en mijn vingers tikten uit zichzelf mijn naam op het brievenregisterscherm. Blijken ze in Groningen twee brieven van mij te bewaren! Ik ontken niet dat ik die twintig jaar geleden schreef aan de dichter Van Baaren. Ik ontken wel hun belang en ik ontken dat iedereen ze zomaar mag lezen.

Een mooi subgenre zijn de brieven tussen schrijver en uitgever. Bij de briefwisselingen tussen Couperus en Van Veen en tussen Hoornik en Stols ga je naar de kant van de uitgever neigen. De correspondentie tussen Multatuli en zijn uiteindelijke uitgever Funke is een monument van wederzijdse vriendschap en vertrouwen.

Een ander bijzonder subgenre vormen de brieven die alleen aan de auteur zelf gericht zijn, dus de dagboeken. Die van Anne Frank (in de briefvorm `Lieve Kitty') en van Klemperer (die hij ook werkelijk steeds uit voorzorg in pakjes bij vrienden achterliet) zijn de twee ontroerendste publicaties over de Tweede Wereldoorlog. Terwijl zij schrijven, weten zij niet hoe het afloopt. De omstandigheden maken grote schrijvers van ze.

Het zijn niet alleen schrijvers die mooie brieven schrijven. Vincent van Gogh, Thorbecke, Diepenbrock en Huizinga bewijzen dat schilders, politici, componisten en historici het ook kunnen. En biologen: wie wil lezen het het Amerika van een eeuw geleden met trein maar zonder auto's was, leze de brieven van de botanicus Hugo de Vries. Misschien zag hij de dingen bevooroordeeld, maar hij schreef eerlijk.

Natuurlijk zijn brieven niet altijd eerlijk. Voltaire schreef een stapel brieven die hij zogenaamd uit Duitsland had gestuurd, en waarvan pas na twee eeuwen kwam vast te staan dat hij ze later had geschreven en nooit had verstuurd. In Frankrijk is de minister van Economische Zaken onlangs afgetreden toen de politie ontdekte dat een brief over een betaling was getypt op papier en met een letter die nog niet bestond op de datum die erboven stond. Niet die betaling zelf maar die valse datering kunnen hem de das omdoen.

Niet slechts fictie, maar ook de non-fictie komt voort uit de brief. Betogen, essays, reportages, wetenschappelijke artikelen, columns, ze zijn allemaal begonnen als brieven en dat is er nog steeds aan te zien. Erasmus uitte zich zijn hele leven in brieven. Dat waren brieven die wel zogenaamd aan, bijvoorbeeld Luther, gericht waren, maar die duidelijk bedoeld waren als wat we tegenwoordig tijdschriftartikelen, pamfletten en commentaren noemen. Nog altijd kun je in polemieken de brieftoon tegenkomen. Leo Vroman zet de gewoonte van Erasmus voort: hij schrijft altijd brieven, en je kunt bij hem fictie en factie niet onderscheiden.

Op een dag zag ik onze brievenbestelster – die wij soms post soms bode noemen – op mijn voordeur afhuppelen. Ik maakte snel open om haar het persen te besparen door de gleuf die een ontsluiting van twee centimeter heeft. Bij de post die ik zo uit haar handen ontving, zat een op het postkantoor geschreven briefje waarin de Post meedeelde dat ze vanwege mijn afwezigheid een pakje niet hadden kunnen bezorgen en dat ik dit kon gaan afhalen. Ik had de wandeling er graag voor over na deze verwandeling van een pakje tot een brief. De metamorfose de andere kant op was in de vorige eeuw gebruikelijk als je een brief aan een trekschuit wilde meegeven. De Post had het briefmonopolie, maar de trekschuit mocht wel pakketten vervoeren. Dus deed je je brief met een steen in een pakje en verstuurde hem alsof het om een Hettitisch kleitablet ging.

De intimiteit van een brief wordt verhevigd door kwaaie letters en lelijke krassen, vlekken van thee en tranen, schetsjes en scheuren, schrijffouten en doorgestreepte maar toch leesbaar gebleven passages. In drukvorm blijft, bij een goede editie, dat laatste bewaard, met een keurig horizontaal streepje door het woord. Het is vals maar waar: doorgestreepte woorden blijf je het best onthouden.

In een brief lees je ook altijd iets over een brief, al was het maar de vorige van de andere kant, het excuus voor het late antwoord, de lekkende pen, het zoeken naar een postzegel. Postzegel! Geniale uitvinding, die een eind maakte aan de wantoestand dat de ontvanger van een brief moest betalen. Een postzegel is omgekeerd geld. Terwijl een gulden verhuist van viseter naar visrestaurant naar vismarkt naar visser, dus tegen de richting van de vis in, gaat de postzegel mee op reis, verkleefd aan het ding waarvan hij de reis betaalt. Terwijl geld handig is omdat het na gebruik toch zijn waarde houdt, krijgt de postzegel onderweg een mep met een stempel op zijn facie die hem waardeloos maakt, zodat men hem weggooit, zodat hij na verloop van tijd weer zeldzaamheidswaarde krijgt. De brief blijft, ook na eerste gebruik, zijn waarde houden.

De brief is een tijdbom. Je gooit hem op de bus en je gaat heerlijk zitten wachten op de plof. Maar soms is zo'n explosief missief een extra gemene booby-trap: eerst ontploft hij één keer, dan komen familieleden, nieuwsgierigen, brandweermannen en fotografen aangesneld en dan ontploft die duivelse machine nog een keer. Zo kunnen brieven lang sluimeren in laden of kasten totdat tante Adèle bij het sterfbed van de oude heer Takma een in tweeën gescheurde brief van zestig jaar geleden vindt en leest, die eindigt met `Verscheur dadelijk. Ottilie'. Zo valt er bij tweede lezing soms een politieke knal te horen (Marcel van Dam die bij Den Uyl ontslag aanbiedt), een rokend pistool te zien (Bernhard die bij Lockheed geld vraagt) of corruptie te ruiken (de Beste Els-brieven van Bolkestein).

Zonder brieven zouden wij zijn als de mieren. Niets tegen mieren, maar ons rondhollen is rijker dan dat der mieren door de liefdesbrief en de bonsbrief, de bedelbrief en de lofbrief, de kettingbrief en de bombrief, de expresbrief en de rotbrief, door de opengestoomde en dichtgelakte brief, de aangetekende en ingezonden brief, de introductie- en afscheidsbrief, de anonieme en sollicitatiebrief, door reis-, vlei- en dreigbrief, dienst-, spiek- en liegbrief, ban-, brand- en lachbrief, door krabbel, email, codicil, kattebel.