Vóór `Veghel'

De Veghelse schietpartij gaf mij onmiddellijk een schok van herkenning. Een moordaanslag, een mannelijke Turkse dader, de eer van een zus die gewroken moest worden, de mogelijke betrokkenheid van andere familieleden – het waren allemaal ingrediënten die ik eerder was tegengekomen tijdens een van de aangrijpendste rechtbankzittingen die ik als journalist had meegemaakt.

Wat was er toen ook weer precies gebeurd, en welke straf kreeg de dader?

Het gebeurde op 14 mei 1993 in Utrecht. Daar werd die dag voor het Academisch Ziekenhuis van Utrecht een 21-jarige Turkse vrouw, Fatma (alle namen in dit stuk zijn gefingeerd), doodgeschoten. Fatma was vanwege een mislukte zelfmoordpoging korte tijd in het ziekenhuis verpleegd. Ahmed, haar oudste broer, liep met een geheven pistool op haar af, toen ze met haar vriend Mustafa het ziekenhuis verliet. Ze draaide zich om en hij schoot haar in de rug. Toen ze op de grond lag, schoot hij nog enkele malen op haar. De schoten in rug en buik waren dodelijk. ,,Ze moet dood', had een getuige hem horen zeggen.

Wat was eraan voorafgegaan? Heel wat, evenals in Veghel. Fatma leidde in de ogen van haar familie een losbandig leven. Ze was opgegroeid in Nederland, maar op 16-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een Turkse man in Turkije. Ze kon het er niet uithouden en keerde terug naar Nederland. Ze kondigde de echtscheiding aan en verliet het ouderlijk huis weer snel om bij Mustafa, een Turkse vriend, te gaan wonen.

De familie van Fatma was inmiddels het mikpunt geworden van hoon en minachting in de Turkse gemeenschap waarvan ze deel uitmaakte. Er moest iets gebeuren, vond de familie. Enkele ooms namen Mustafa onder handen, maar zonder resultaat. Hij maakte het nog erger met zijn bekentenis dat hij al getrouwd was en een kind had. De namus, de seksuele eer van de familie, schreeuwde om wraak. Het bericht dat Fatma besloten had ook Mustafa weer te verlaten, gaf de doorslag.

Een deskundige zei voor de rechtbank: ,,Het gaat hier om een eerwraak die op het Turkse platteland veel voorkomt.' Ahmed beweerde dat hij op eigen gezag had gehandeld, maar de deskundige geloofde hem niet. Er waren echter te weinig bewijzen om andere familieleden te vervolgen.

Waarom had Ahmed op zijn zus geschoten, en niet op Mustafa? ,,Als ik hem had gedood, zou het uit wraak zijn geweest', zei Ahmed. De moord op zijn zus beschouwde hij kennelijk niet als wraak, maar alleen als een poging om `mijn namus te redden'. Hij toonde geen berouw. In zijn laatste woord zei hij: ,,Mustafa loopt nog vrij rond. Hij heeft mijn zus tot hoer gemaakt. Is dit gerechtigheid?'

Zijn familie – zes vrouwen, vier mannen – zat somber zwijgend in de zaal. Af en toe begon de moeder te huilen, wat haar op de verstoorde blikken van haar man kwam te staan. De officier van justitie eiste twaalf jaar onvoorwaardelijk, het werden er tien.