Václav Havel: Brieven aan Olga, 1983

Achteraf kan men zijn leven lezen als een romantisch verhaal: de schuchtere schrijver die ineens president van zijn land werd. Vergeten worden dan de uitzichtloze jaren, waarin niemand die gelukkige ontknoping ook nog maar in de verste verte kon zien aankomen. De jaren waarin de wereld zijn belangstelling begon te verliezen. De toneelschrijver Václav Havel (1936) begreep beter dan wie ook dat vergetelheid het grote gevaar was voor de handvol critici van het communisme.

Elk verhaal leeft van spanning en daarvoor zijn tegenstellingen nodig. Zo wordt begrijpelijk dat de totalitaire wereld het verhaal vernietigt: `het leek of de tijd stukspatte in een regen van vervangbare ogenblikken'. Naar eigen zeggen leefde hij in een vormloze mist. Maar om te overleven moest een verhaal worden verteld. Anders zou de wereld zich afkeren van de roependen: `Je kunt er immers niet tot in lengte van dagen over blijven schrijven dat iemand moeite heeft met ademhalen.'

In Brieven aan Olga wordt het isolement van de dissidenten in de lange periode na het neerslaan van de Praagse Lente zichtbaar. Om Havels brieven te begrijpen moet men de treurige jaren zeventig en tachtig voor ogen houden, een tijd die in het Westen merkwaardigerwijs vooral wordt herinnerd als jaren van de `ontspanningspolitiek'. Na 1968 daalt een nietsontziende onderdrukking over het land neer. Niet alleen worden de politieke opposanten uit de partij gezuiverd, maar een algehele vernedering van de intelligentsia wordt nagestreefd. Hoogleraren kan men plotseling ramen zien lappen en de directeur van een theater blijkt als stoker in de kelder van een ziekenhuis te werken.

Havels gevangenisbrieven, die van hand tot hand gingen en na zijn vrijlating in het Westen werden gepubliceerd, getuigen van de wil om van de nood een deugd te maken. Die houding had hij zich al vroeg verworven, zoals blijkt uit een schrijven aan de leider van de Praagse Lente, Alexander Dubcek. Niet lang na de inval trekt Havel een parallel met de jaren dertig, toen de Westerse landen Tsjechoslowakije opofferden aan Hitler-Duitsland: `Toen waren het juist de communisten die de suggestieve argumenten voor de capitulatie het hoofd wisten te bieden en heel goed begrepen dat een feitelijke nederlaag niet ook een morele nederlaag moet worden en dat bovendien een morele overwinning later een feitelijke overwinning kan worden, wat een morele nederlaag nooit kan'.

Het duurt jaren voordat Havel na die open brief aan Dubcek het woord hervindt, maar vanaf dat moment gaat hij quasi-onverstoorbaar zijn gang en groeit uit tot het symbool van de dissidentenbeweging Charta 77 en van de hele oppositie in Midden-Europa. Al snel na de oprichting in 1977 wordt hij gearresteerd. Deze eerste gevangenschap ervaart hij als de meest traumatische, vooral omdat hij de `immense stupiditeit' begaat om tegen de autoriteiten te zeggen dat hij zijn woordvoerderschap zal neerleggen - wat vervolgens breeduit in de publiciteit wordt gebracht. Havel voelt zich vernederd en werkt in de daarop volgde jaren bijna `hysterisch' aan zijn rehabilitatie. Een nieuwe veroordeling in 1979, tot viereneenhalf jaar gevangenis, brengt een merkwaardig soort rust: nu kan hij zichzelf bewijzen.

In de gevangenis heeft hij elke week een - door de censuur gecontroleerde - brief gestuurd aan zijn vrouw, Olga. Hoewel zij daarin nogal op de achtergrond blijft, vormt ze voor hem in die jaren het enige contactpunt met de buitenwereld. De brieven zijn ietwat afstandelijk van toon: `Olga en ik hebben er nooit een gewoonte van gemaakt om onze gevoelens voor elkaar te bekennen. We zijn beiden terughoudend, hoewel deze terughoudendheid een verschillende achtergrond heeft: trots in haar geval, schaamte in het mijne.'

In vrijwel alles wat Havel aan zijn vrouw schrijft proeft men ook irritatie: `Al twee lange weken is er geen brief gekomen. Je verzwaart mijn straf wel, zeg!'. Havel toont zijn minder aangename kanten, en dat maakt de brieven zo levensecht. Vooral zijn bevoogdende houding raakt hij nergens helemaal kwijt. Natuurlijk getuigen de passages waarin hij Olga toespreekt ook van onmacht. Havel probeert al schrijvend onderdeel te blijven uitmaken van haar leven: zijn aanwijzingen en dwingelandij willen het verschil tussen binnen en buiten overbruggen. Dat lukt natuurlijk niet echt, en dan is het weer een liefdevolle berusting die de toon van de brieven bepaalt.

In Havel's brieven zien we de spanning die ook zijn essays en toneelstukken kenmerkt: we treffen er een uitgesproken cultuurpessimisme aan, terwijl tegelijkertijd de lof van de hoop wordt gezongen. Het lijkt wel of zijn morele pleidooi aan hartstocht wint, terwijl de kans om te ontsnappen aan de algehele politieke en culturele neergang kleiner wordt.

Vooral in de essays is zijn cultuurkritiek openlijk geformuleerd: `Ik ben ervan overtuigd dat datgene wat 'dissident' wordt genoemd in het sovjetblok, een specifiek moderne ervaring is, namelijk de ervaring van het leven op de uiterste rif van de moderne, ontmenselijkte macht'. Wat vaak over het hoofd wordt gezien is dat deze `universele ervaring' de grondslag vormt van Havel's overwegingen. Het totalitarisme staat niet op zichzelf, maar is `een bolle spiegel van de gehele moderne beschaving en een harde - misschien wel laatste - oproep tot een algemene herziening van haar zelfbeeld'. Zo probeert Havel natuurlijk ook het Westen bij het lot van het Oosten te betrekken.

Tegelijk spreekt er een oervertrouwen uit zijn brieven: hoop is de andere poot van zijn wereldbeeld. Een kernzin in Brieven aan Olga is: `Als ik het over geloof en hoop heb, bedoel ik niet optimisme in de gebruikelijke zin van het woord. Je kan je een mens zonder geloof voorstellen die denkt dat alles goed afloopt en een mens met geloof die er rekening mee houdt dat alles slecht afloopt'. Hoop is wat anders dan optimisme: het komt voort uit een innerlijke houding die niet afhankelijk is van het wel en wee van de buitenwereld. Die onthechte houding is een grote kracht gebleken in de eindeloze jaren van `normalisering'.

De naakte omgeving van de gevangenis dwingt tot zelfonderzoek. Veel bespiegelingen zijn gewijd aan het thema van de menselijke identiteit en de verantwoordelijkheid. Op een mooie manier rekent hij af met de modieuze uitweidingen over de zinloosheid van het bestaan. Havel, de toneelschrijver die in de absurdistische traditie van Beckett en Ionesco staat, legt uit: `alleen iemand die wezenlijk behoefte heeft aan een ``zin' kan de afwezigheid ervan als iets pijnlijks ervaren'.

De wereld kent een diepere ordening en bestaat niet alleen uit vluchtige chaos. Havel heeft een religieuze, maar niet godsdienstige toon: `Er is volgens mij geen vergankelijke, menselijk existentie zonder een horizon van onvergangelijkheid ten opzichte waarvan zij zich ontvouwt en waar zij zich voortdurend - al dan niet bewust - op richt'. De verantwoordelijkheid van de mens krijgt gestalte tegen de achtergrond van datgene wat ons de betrekkelijkheid der dingen doet realiseren, namelijk een alomtegenwoordige, absolute horizon.

Deze levenshouding inspireert Havel tot een `anti-politieke politiek', dat wil zeggen een politiek die op een moreel fundament staat. De weerstanden tegen de almacht van de staat moeten worden gezocht in het `voor-politieke', het `leven', de `tweede cultuur'. De veelvormigheid die onvervreembaar bij het leven hoort ondermijnt de één-dimensionale macht. Charta 77 is in zijn opvatting geen poging tot een politieke oplossing van de crisis: `De enige logische en zinvolle weg voor de burger uit de morele crisis van de maatschappij is namelijk een morele weg'. Havel noemt dat het streven naar `leven in waarheid'. Het begin- en eindpunt daarvan zijn gelegen in persoonlijke verantwoordelijkheid.

Havel probeert in zijn gevangenisbrieven zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het niet zo erg is als er een tijd lang niets gebeurt: `Daar waar het leven niet is dichtgemetseld achter de uiterlijke schijn van ``wat er gebeurt' en waar het feit dat er `niets gebeurt' niet automatisch als een dodelijke toestand wordt gezien, kan zelfs een trots, waardig en zelfverzekerd stilzwijgen zinvol klinken'. In deze stille jaren waarin er geen rimpeling in de bevroren vijver zichtbaar is, bleef alleen de hoop.

In 1983 wordt Havel uit de gevangenis ontslagen: gelouterd en niet langer de luchthartige, ironische schrijver. `Ik ben niet meer zo tot spontane vreugde in staat, mijn depressieve periodes komen vaker voor en ik heb nog meer volharding nodig om de taken die ik mezelf stel tot een einde te brengen'. Zes jaar later zou hij triomfantelijk het presidentiële paleis binnentreden. Een positie die de anti-politicus van weleer nog steeds, en inmiddels te lang, uitoefent. Maar wie de burgermoed van Havel voor ogen houdt, zal mild oordelen over deze nieuwe vasthoudendheid.

Václav Havel: Brieven aan Olga. Uitg. Fontein, uitverkocht.