Uit liefde voor de poëzie

Eduard (Ed.) Hoornik en Sander Stols, dichter en uitgever, vonden elkaar in 1938 in hun gemeenschappelijke liefde: de poëzie. De jonge Hoornik publiceerde in een groot aantal tijdschriften, had een paar bundels uitgebracht, en begon net enige naam te maken als dichter, toen Stols zich bereid toonde Drie op één perron uit te geven. In dat boek reageerden Hoornik, Jac. van Hattum en Gerard den Brabander op de beschuldiging dat hunanekdotische, sociaal-realistische poëzie sterk onder invloed stond van Du Perron en presenteerden ze zich bovendien als de jongste dichtersgeneratie.

Bij de opbouw van zijn fonds had Stols veel te danken gehad aan Jan Greshoff, wiens waarde als adviseur nauwelijks te overtreffen lijkt. Hoornik ontwikkelde zich min of meer tot Greshoffs opvolger. Hij werd voor Stols een belangrijke raadgever op het terrein van de poëzie. Hoornik had goede contacten met vrijwel alle jonge dichters, zo blijkt ook uit de correspondentie van Hoornik en Stols, die door het Letterkundig museum is uitgeven.

Toen de concurrerende uitgeverij Querido Hoornik eind 1939 vroeg de redactie van een poëziereeks op zich te nemen, legde Hoornik dat idee eerst aan Stols voor, die het schaamteloos kopieerde uit angst talentvolle auteurs aan Querido kwijt te raken. Stols' gestaakte uitgave van Helikon, Tijdschrift voor poëzie kon mooi als naamgever van de nieuwe reeks dienen. Vanzelfsprekend werd Hoornik redacteur. Per nummer werd het werk van één dichter opgenomen. Zo ontstond een prachtig uitgegeven poëzie-reeks van kwalitatief hoog niveau. Want Hoornik ging voortvarend van start en wist grote dichters tot bijdragen te verleiden: Du Perron, Vestdijk, Jan Campert en de onzekere Gerrit Achterberg, voor wiens dichterschap de steun van Hoornik belangrijk is geweest. Bovendien zorgde Hoornik voor veelbelovende debuten; van Aafjes, Lehmann en Vasalis. Vooral met het binnenhalen van de laatste waren Stols en hij zeer ingenomen, en niet alleen omdat Parken en woestijnen een bestseller werd.

De correspondentie heeft vooral betrekking op de totstandkoming van Helikon. Hoornik de inhoud van de reeks bepaald te hebben. En al had Stols met z'n gevoel voor talent en als lettré, zoals Van Vriesland hem eens noemde, z'n voorkeuren, Hoornik liet zich nauwelijks beïnvloeden. Stols kon pleiten wat hij wilde voor de poëzie van bijvoorbeeld Anna Blaman, Hoornik bleef er niets in zien.

Zijn liefde voor het mooie boek, voor poëzie, en voor een fijne typografie, bezorgden Stols zijn faam als uitgever. Maar haast even legendarisch was zijn matige betalingsmoraal. Dat ondervonden verschillende auteurs, onder wie Hoornik. Anderzijds stond Stols als niet zakelijk bekend, en gold natuurlijk dat hij geen stuiver overhield aan de poëzie. Voor hem stond, zoals hij in 1941 aan Hoornik schreef, het plezier voorop: `Geld verdienen zal ik er nooit aan.' Met meer pathos schreef hij aan Greshoff: `De letterkunde zal nooit weten wat ik voor haar geleden heb.' De geldkwesties leidden tot wrijving tussen dichter en uitgever, maar niet tot een breuk.

Onder sterke Duitse druk was het Algemeen Handelsblad medio 1941 een foute koers gaan varen. Desondanks bleef Hoornik nog een tijd als journalist aan die krant verbonden, wat tot wantrouwen bij het publiek leidde. Begin 1941 kwam het bijna tot een breuk tussen Stols en Hoornik. Stols reageerde heftig op een verzoek van Hoornik om ook recensie-exemplaren te sturen naar de NSB-letterkundigen Bruning en Wolters. Hij schreef helemaal niet gesteld te zijn `op het oordeel van dergelijke imbecielen', al waren ze volgens Hoornik nog zulke competente boekbeoordelaars. `Als zij dit werkelijk zijn, hooren ze bij de N.S.B. niet thuis.' En even verder het stekende: `Tegen dat je zelf N.S.B.er wordt, wil je me zeker wel even waarschuwen!' Stols ondertekende met naam en voorletters, niet met `je Sander'; de knik in de briefwisseling was een feit. Hoornik werd geen NSB'er. Hij verbleef uiteindelijk bijna twee jaar in Duitse gevangenschap.

Na de oorlog hervatte Stols de uitgave van de Helikon-reeks, met Hoornik opnieuw als redacteur, maar het niveau van 1940-1941 werd niet meer gehaald. Ook uit de correspondentie verdween het elan. De uitwisseling van de nog voornamelijk zakelijke briefjes eindigde niet lang nadat Stols Nederland had verlaten en Hoornik een andere uitgever had gevonden.

Ed. Hoornik en A.A.M. Stols: Geld verdienen zal ik er nooit aan. Briefwisseling 1938-1954. Bezorgd door Anky Hilgersom. Letterkundig Museum. 562 blz. ƒ57,50