Strijdbaar acteur

De acteur Hans Boswinkel, die afscheid nam van het toneel om te ijveren voor de sociale positie van kunsten en kunstenaars, is dinsdag op 64-jarige leeftijd overleden. Na een geduchte carrière als toneelspeler en regisseur was hij onder meer tien jaar lang voorzitter van de Kunstenbond FNV. Ondanks een ernstige ziekte bleef hij ook de laatste jaren een groot aantal bestuursfuncties vervullen.

In veel opzichten was Hans Boswinkel een weerbarstige reus. Als telg uit een socialistisch onderwijzersmilieu speelde hij al op school toneel, maar eerst koos hij voor een studie Nederlands om leraar te worden. Pas toen het studententoneel hem te pakken kreeg, besloot hij alsnog naar de toneelschool te gaan. Hij studeerde af in 1959 en speelde al snel grote rollen. Met zijn imposante gestalte en de intense concentratie die hij uitstraalde, bleek hij bij uitstek geschikt te zijn voor het vertolken van getourmenteerde karakters. Op zijn dertigste, begin 1966, was hij de op één na jongste acteur die ooit de titelrol in de Gijsbrecht had gespeeld.

Als regisseur had Boswinkel een hang naar het klassieke toneelrepertoire, dat hij graag naar het heden toe trok door te zoeken naar de kern en alles weg te snijden wat slechts met de traditie te maken had. Na engagementen bij het Rotterdams Toneel en de Nederlandse Comedie kwam hij in 1971 naar het Nieuw Rotterdams Toneel, waar hij voor het eerst ook als actievoerder optrad. Namens een groep acteurs eiste hij inspraak in de koers van het NRT-bestuur dat destijds onder vuur lag bij subsidiegevers. ,,Ik hou van knokken,'' zei hij later.

Hans Boswinkel was van 1979 tot 1988 voorzitter van de Kunstenbond FNV, in een tijd dat bezuinigingen op de kunsten aan de orde van de dag waren. Zijn gevoel voor rechtvaardigheid gaf hij vorm met het retorische talent van de acteur. In een arbeideristische trui, voortdurend sjekkies draaiend, verhief hij zijn stem tegen elke bezuiniging. In een terugblik stelde hij vast, dat de bond in elk geval één ding had bereikt: in het regeerakkoord van 1982 stond dat de kunsten voortaan `relatief ontzien' zouden worden.

Door zijn ziekte werd hij in 1992 arbeidsongeschikt verklaard. Toch bleef hij aan het werk als bestuurder bij een groot aantal pensioen-, overbruggings- en arbeidsongeschiktheidsfondsen. De kwetsbaarheid van kunst en kunstenaars moest veranderen in weerbaarheid, vond Boswinkel. En daar heeft hij veel aan gedaan.