Steeds maar weer die sigaren

In de herfst van 1836 schrijft Frédéric Chopin vanuit Parijs aan zijn ouders in Warschau: `Ik heb een grote beroemdheid ontmoet, mevrouw Dudevant, bekend onder de naam George Sand, maar haar gezicht stond mij niet aan en beviel me helemaal niet.' De zesentwintigjarige Poolse componist had de zes jaar oudere Franse schrijfster leren kennen in het huis van gravin Marie d'Agoult en haar minnaar Franz Liszt, die regelmatig hun deuren openden voor de culturele elite van Parijs. Chopin, die zich vijf jaar daarvoor in de Franse hoofdstad had gevestigd, was dankzij zijn nocturnes, ballades, polonaises, mazurkas en walsen al snel een geliefd pianist en componist geworden. Hij trad regelmatig op in de concertzaal van de beroemde pianofabrikant Pleyel en mocht als pianoleraar vele adellijke jongedames tot zijn clientèle rekenen.

George Sand was sinds de publikatie van haar eerste roman Indiana (1832) en vooral van Lélia (1833) een nationale beroemdheid. Ook zij was in 1831, na haar mislukte huwelijk met baron Casimir Dudevant, met haar twee kinderen naar Parijs gekomen, waar zij van de pen probeerde te leven. Haar verhalen werden eerst als feuilletons in kranten en tijdschriften geplaatst en verschenen daarna in boekvorm. Binnen een paar jaar was zij bevriend geraakt met de grootste schrijvers, dichters, denkers, musici en politici van haar tijd. Balzac, Flaubert en Delacroix waren te gast op Château de Nohant, haar landhuis in de Berry, even ten zuiden van Parijs, evenals Liszt, Heine, Toergenjev en de befaamde criticus Sainte-Beuve. Met hen en veel andere tijdgenoten onderhield deze razend creatieve vrouw een intensieve correspondentie, die inmiddels, onder leiding van wijlen literatuurhistoricus Georges Lubin, in meer dan vijftig dikke delen is verschenen bij Les éditions Garnier. De meer dan tienduizend brieven die deze reeks bevat vormen niet alleen een onuitputtelijke bron van informatie over negentiende-eeuwse gebeurtenissen, meningen en gewoonten, maar geven ook de persoonlijke, erudiete, soms geestige, vaak rake visie van George Sand op haar tijdgenoten. Regelmatig verschijnen er dan ook selecties uit haar briefwisseling, toegespitst op één persoon, al dan niet aangevuld met brieven van haar correspondent. De bekendste, en meest vertaalde, zijn ongetwijfeld de brieven aan (en van) Gustave Flaubert en Alfred de Musset.

In Georges Sand, Frédéric Chopin - La passion des contraires doet Pierre Brunel, hoogleraar aan de Sorbonne, een poging het verloop van hun verhouding te schetsen. Ongeveer een jaar na hun ontmoeting in de herfst van 1836 werden Sand en Chopin geliefden. De relatie, die voor beide kunstenaars bijzonder vruchtbaar zou zijn, hield negen jaar stand. Sand schreef in die periode ongeveer dertig romans en novellen, waaronder Horace (1841), Le meunier d'Angibault (1844) en La mare au Diable (1845). Chopin componeerde tientallen études, ballades, nocturnes en préludes, zoals La Berceuse (1843) en La Barcarolle (1845) waarmee hij onsterfelijk werd.

Helaas laat Brunel het inspirerende karakter van hun verhouding geheel buiten beschouwing. Het beeld dat hij schetst van George Sand is een samenraapsel van alle karikaturale clichés, die in de loop der tijden over haar ten beste zijn gegeven. Sand zou een gewetenloos mannenverslindster zijn, een versierster, een doña Juana zonder enig geweten, een broodschrijfster voor wie kwantiteit belangrijker was dan kwaliteit. Vooral over haar mannelijke kleding en over het feit dat Sand sigaren rookte, raakt Brunel niet uitgepraat. Wie iets meer van haar leven weet en bijvoorbeeld haar autobiografie De geschiedenis van mijn leven heeft gelezen, weet dat Sand in haar beginjaren in Parijs uiterst krap bij kas zat en zich geen uitgebreide garderobe kon veroorloven. Zij wilde anoniem opgaan in de grote stad en koos voor een herenkostuum, dat zij bij alle gelegenheden droeg.

Chopin wordt bij Brunel een uiterst kleurloze, bijna zielige figuur: een ziekelijk, onvolwassen moederskindje, dat zich laat paaien door de rondborstige maman Sand, een watje dat zich na negen jaar zonder slag of stoot aan de kant laat zetten, een initiatiefloos, overgevoelig, impotent wezen, op wie de exuberante Sand na verloop van tijd uitgekeken raakt.

Ter illustratie van zijn ongenuanceerde - en pertinent onjuiste - visie citeert Brunel mondjesmaat uit brieven die Sand en Chopin aan hun vertrouwelingen schreven, en aarzelt daarbij niet zinnen uit hun context te lichten. Vlak voor het begin van hun relatie schreef Sand bijvoorbeeld een brief van zestien (gedrukte) pagina's aan Albert Grzymala, een intieme vriend van Chopin en een gerespecteerd Pools staatsman. In haar brief vraagt zij Grzymala in hoeverre Chopin nog verdriet heeft van een onlangs verbroken verloving (met een Poolse aristocrate) en spreekt zij vrijuit over haar twijfels en aarzelingen ten aanzien van hun gevoelens. Brunel citeert zes regels uit deze uitzonderlijk lange brief, betitelt deze als een strategische zet en spreekt laatdunkend van `vals gewetensonderzoek'.

Waar de feiten de interpretatie van Brunel tegenspreken, voorziet hij deze eenvoudigweg van tendentieus commentaar. Zo blijkt uit een brief uit 1837 dat Chopin als eerste toenadering zocht tot Sand. In zijn brief nodigt hij haar uit voor een muzikale soirée bij hem thuis. `Men moet hem ertoe hebben aangezet', schijft Brunel kwaadaardig, `De avond heeft iets geïmproviseerds. Hij heeft Sand vast geen officiële uitnodiging gestuurd.' Brunels fantasiëen over een flirtende Sand en een ziekelijk jaloerse Chopin maken het boek voor iedere kritische lezer definitief onverteerbaar.

Gelukkig zijn de originele brieven die Sand en Chopin aan hun vrienden stuurden ook gepubliceerd. Bij Uitgeverij La Cartuja (Palma de Mallorca, 1975) verschenen bijvoorbeeld de Lettres de Chopin et de George Sand (1836-1839), gedeeltelijk geschreven gedurende hun rampzalige verblijf op Mallorca, in de winter van 1838. Aan hun vrienden beschrijven ze de ongastvrijheid van de bevolking en de aard van hun lichamelijke kwalen. Desondanks bejubelen beiden in hartstochtelijke bewoordingen de schoonheid van de natuur, de mythische proporties van het klooster waar ze verblijven en de creatieve wisselwerking waarvan beiden genieten. Na deze reis woonden ze negen jaar vlak bij elkaar, afwisselend in Parijs en in Nohant. Hij leest wat zij schrijft, zij luistert naar wat hij componeert. In Chopin chez George Sand à Nohant (Les Amis de Nohant, 1986), een gedetailleerd en historisch verantwoord boek over zeven zomers in Nohant, beschrijft Sylvie Delaigue-Moins hoe zij hun dagen doorbrachten, wie zij ontvingen, welke crises hun verhouding doormaakte en hoe er een definitief einde aan kwam.

Eerder dit jaar verscheen ook een prachtige muzikale hommage aan de twee begaafde geliefden. Op de CD Chopin/Sand - Lettres et musique, lezen Sonia Rykiel (modeontwerpster en actrice) en Andrzej Seweryn (acteur bij de Comédie française) chronologische kernpassages uit de correspondentie voor - prachtige, aangrijpende brieven, afgewisseld met door Chopin gelijktijdig gecomponeerde muzikale fragmenten. Een betere manier om aan te tonen dat het hier gaat om de vruchtbare kruisbestuiving van twee briljante, onafhankelijke kunstenaars, is nauwelijks denkbaar.

Pierre Brunel: George Sand - Frédéric Chopin. La passion des contraires. Acropole, 202 blz. ƒ40,05

Chopin Intime (CD). Frédéric Chopin & George Sand, Lettres & musique. Sonia Rykiel, Andrzej Seweryn, Mieczyslaw Tomaszewski. Opus 111, ƒ45,-

Rectificatie

In het stuk over George Sand en Frédéric Chopin (Boeken,10.12.99) is een storende persoonverwisseling geslopen. Niet de Franse historicus Georges Lubin is overleden, maar zijn echtgenote. Lubin is inmiddels 99 jaar. De correspondentie beslaat geen 50, maar 25 dikke delen.