`Potgieter, kom logeren op de Pastory!'

Hoe leuk is Heiloo? Toen de 24-jarige dichter J.P. Hasebroek zich in de herfst van 1836 als predikant in het Noord-Hollandse Heiloo vestigde, wist hij dat hij in de periferie van het literaire leven was beland. `Mijn tegenwoordig leven heeft iets van een lijkstatie, waarbij mijn lichaam de rol van lijkbezorger en mijn hart als liefhebber de rol van lijk vervult', schreef hij aan E.J. Potgieter, die in Amsterdam juist het tijdschrift De Gids had opgericht.

Hasebroek (1812-1896) schreef echter ook dat hij niet moest klagen over de oude pastorie waarin hij nu woonde en dat het zo leuk zou zijn als zijn vriend Potgieter zich eens verwaardigde het landelijk Heiloo te komen bezoeken. In dezelfde brief: `O, dat ge me hier eens zaagt in mijn lieve pastorij op mijn zalig dorpjen, ge zoudt mij de benijdendwaardigste der 1400 (?) Weleerwaardigheden noemen moesten.' Waarna Hasebroek een uitgebreide en naar eigen zeggen sentimentele beschrijving geeft van de landelijke leefomgeving: het kerkhof met zijn grauwe stenen, de heldere spits van de toren en de door kreupelhout omgeven oevers van het Noord-Hollands kanaal.

Een aantal Heiloose brieven van Hasebroek en Potgieter is met enkele brieven van Nicolaas Beets en R.C. Bakhuyzen van den Brink gebundeld in een boekje met de voortvarende titel Gij moet hier komen!. De selectie van elders al eerder gepubliceerde brieven en brieffragmenten is van Nico Keuning, die in Heiloo (aan de Potgieterweg) de kleine uitgeverij Reservaat bestiert. Om het perifere karakter van het boekje nog wat verder te benadrukken is de uitgave gesubsidieerd door de gemeente Heiloo. Het laat zich lezen als een verslag van de verhoudingen tussen de negentiende-eeuwse grachtengordel en de schrijvers in de buitengewesten, waarbij Hasebroek vooral opvalt door steeds maar weer uitnodigingen te doen uitgaan. Niet dat de waarde van de uitgave uitsluitend schuilt in de steeds herhaalde aansporingen van Hasebroek en ook Beets. (`Maar weet gy Potgieterlief! wat gy volstrekt doen moet. Gy moet ontegenzeggelijk volstrekt een paar dagen op de Pastory komen logeren. Gy moet hier komen, al was 't maar van Vrijdag tot Zondag.'). Beets logeerde vaak bij zijn Heiloose verloofde.

Behalve met eindeloze aanhankelijkheidsbetuigingen aan het adres van vriend Potgieter, zijn Hasebroeks brieven gevuld met literaire zaken. Hasebroek had op verzoek van Potgieter al eens een gedicht voor De Gids gemaakt, maar hij schreef in zijn Heiloose periode ook een groot aantal prozastukken voor tijdschriften en almanakken, steevast onder het pseudoniem Jonathan.

Wanneer het om de literatuur gaat, spreken de heren elkaar minder smekend toe. `Nog iets, als ik begin te vitten ben ik lomp,' schrijft Hasebroek wanneer hij eerst een recensie van Potgieter bekritiseert en zich vervolgens beklaagt over de wijze waarop Bilderdijk tegenwoordig in De Gids wordt bejegend. Aanmerkelijk minder lomp probeert hij de teksten van zijn zuster Betsy onder de aandacht van Potgieter te brengen. Maar na het vitten volgt steevast weer een royale aanhankelijkheidsbetuiging. Doordat er geen brieven van Potgieter in het bundeltje zijn opgenomen, dreigt er wel een scheef beeld van de vriendschap te onstaan. De stroom liefhebbende woorden van Hasebroek staat er wel in, de ongetwijfeld even waarderende antwoorden van Potgieter niet. Dat het geen onevenwichtige vriendschap was blijkt nu eigenlijk alleen uit de geregeld terugkerende excuses van Hasebroek als zijn Amsterdamse vriend zich weer heeft beklaagd over zijn trage antwoorden. Meestal heeft Hasebroek het dan te druk gehad met de zielzorg van de Heiloonaren.

Overigens had Potgieter redenen om niet de deur van de pastorie in Heiloo plat te lopen. Toen hij het eenmaal wél deed, op 24 augustus 1837, was dat geen doorslaand succes. Hij smulde weliswaar van de andijvie – daarna een terugkerend thema in de correspondentie – maar hij had er ook een aanvaring met Nicolaas Beets, die hij te arrogant vond. Beets op zijn beurt meende dat Potgieter een al te serieuze stijve hark was. In 1838 schreef Beets Potgieter dat ze maar beter konden ophouden elkaar te schrijven omdat Potgieter hem steeds kwetste. `Ik ben waarlijk niet boos. Ik ben alleen voorzichtig.'

Hasebroek bleef wel in geregeld contact staan met Potgieter en deed hem ook verslag van de gevoelens van Beets, althans tot 1843 toen hij Heiloo verruilde voor het stedelijker Breda. De laatste veertig jaar van zijn leven, vanaf 1856, liet Hasebroek de periferie zelfs voor wat die was: hij verhuisde naar Amsterdam.

Nico Keuning (sam.): Gij moet hier komen! Brieven van J.P. Hasebroek, Nicolaas Beets, R.C. Bakhuyzen van den Brink. Reservaat, 112 blz. ƒ29,50 of te bestellen bij de uitgever: (072) 5338439