Paling uit de varkensstal

Johan Meulendijks uit Helmond was varkensboer. Nu heeft hij midden op het weiland naast zijn woonhuis een ,,aquarium'': een gloednieuwe stal, met daarin grote bakken water en zacht zoemende pompen en zuiveringsinstallaties. In zes bassins zwemmen glasaaltjes van 0,3 gram, dat zijn in het wild gevangen fingerlings, baby-palingen. Ze eten korreltjes gemalen vis met visolie.

Na elke groeispurt verhuizen de aaltjes naar de volgende bak, tot ze na een jaar volgroeide palingen zijn en de laatste bak bereiken. Dan glijden ze via buizen naar de sorteermachine. De kleinste (de mannetjes) van 160 gram worden verwerkt tot filet voor de Nederlandse consument, de vrouwtjes van 1,5 kilo gaan gerookt naar Duitsland.

Joop Sonnemans uit Asten-Heusden is kalverboer. Zijn bedrijf grenst aan natuurgebied de Grote Peel, en elk procentje ammoniakuitstoot is er, volgens de milieurichtlijnen, eigenlijk één te veel. Dus haalde Sonnemans een van zijn twee kalverstallen leeg, sloopte de hokken, en zette er waterbakken met paling voor in de plaats. Hij heeft nu 600 kalveren, 2 geiten, wat kippen en konijnen en 20 ton gekweekte paling.

Zo ziet Jan van Rijsingen, voorzitter van de Nederlandse Viskwekerij Vereniging het graag. Kleine ambachtelijke viskwekerijen, de kweker die de paling vanaf zijn boerenbedrijf verkoopt. ,,Dat is aantrekkelijk voor de consument.'' Van Rijsingen is zelf directeur van palingkwekerij en rokerij Royaal. Zijn bedrijf produceert 100 ton paling per jaar, en staat midden op het industrieterrein van Helmond. ,,Toen ik twaalf jaar geleden begon, was viskweken nog een experiment. We wisten nog niet hoe het moest met de zuivering en afvoer van het water, we durfden het niet aan om dat op het platteland te doen.'' Inmiddels loost boer Meulendijks het gezuiverde water gewoon op de riolering, boer Sonnemans beregent zijn land ermee.

Vraag het bij de viskraam, supermarkt of viswinkel. Bijna iedereen denkt dat het pondje paling dat ze net hebben gekocht ooit in het IJsselmeer heeft gezwommen. Maar van de 3.000 ton Nederlandse paling per jaar is 200 tot 400 ton `in het wild' gevangen, de rest wordt gekweekt door zo'n 80 bedrijven.

Staatssecretaris Faber (Landbouw) was eerder dit jaar nog zo enthousiast. Zij vond `aquacultuur' de oplossing voor de teruglopende visstand in de rivieren en de Noordzee. Beginnende viskwekers kregen 35 procent van hun investeringskosten vergoed, dit jaar kwam er 3,2 miljoen gulden uit Brussel voor onderzoek en investeringen in aquacultuur. Het aantal kwekerijen is sinds 1995 meer dan verdubbeld. Maar nu wil Faber de ,,wildgroei'' van kwekerijen beteugelen, zei ze maandag in de Kamer.

Na de varkens zit niemand te wachten op de bio-industrie van de paling, zegt ook viskweker Van Rijsingen. ,,De consument wil geen grote stinkboeren, geen hallen vol paling. De consument wil kwaliteit, het welzijn van de dieren is belangrijk.'' Maar wat is de kwaliteit van het leven van een kweekvis? Hoeveel zwemwater heeft een vis nodig? En heeft een vis gevoel?

In de waterbakken van Royaal zit duizend liter water, en daar zwemmen 1.000 tot 1.500 palingen. ,,Dat lijkt krap'' zegt Van Rijsingen, ,,maar je moet weten hoe paling zich in de natuur gedraagt. Van Rijsingen heeft `rustnetten' in de waterbakken opgehangen, waar de palingen, geheel vrijwilling op een kluitje zitten. Zijn er geen netten, dan zitten ze het liefst als theelepeltjes dicht tegen elkaar, met hun staart op de bodem. Afrikaanse meervallen zijn gewend om samen te klonteren in Afrikaanse modderpoelen. ,,Stop je die in een grote bak water, dan vreten ze elkaar op.''

Een Europees onderzoek naar aanvaardbare dodingsmethoden loopt nog. Van Rijsingen: ,,Eerst moet je definiëren: wat is dood? Snij de kop van een paling af, en beide gedeeltes leven door. En hoe snel moet een vis dan dood zijn? Palingen en meervallen worden tegenwoordig in een ijskoud pekelbad gestopt, waardoor ze verdoofd raken en uiteindelijk sterven. Maar niemand weet hoe lang dat duurt. Chinezen kan het niet zoveel schelen hoe de vis op hun bord komt, de Nederlandse consument wil dat het snel en pijnloos gebeurt.''

Want voor Van Rijsingen is maar één vraag belangrijk: wat wil de consument. Dat is makkelijk: de consument wil meer vis. Witte vis om precies te zijn, lekker stevig, niet al te pregnant van smaak en vooral niet te duur. Meer vissen uit zee halen kan en mag niet. Vis importeren is duur. Van Rijsingen: ,,Als de consument het viskweken accepteert, is dat een goed alternatief.''

We moeten investeren in verbreding, zegt Van Rijsingen. Hij bedoelt: er moeten méér soorten vis worden gekweekt. Nu zijn er 60 palingkwekerijen, 25 voor Afikaanse meerval, vijf voor forel en maar één zeebaarskwekerij. Maar van schol, tong en kabeljauw, waar de Nederlandse consument dol op is, weet niemand hoe je die kan laten groeien in gevangenschap. Het is heel gek, zegt Van Rijsingen, dat de kwekerijen zijn begonnen met zo'n luxe product als paling, toch zo'n 50 gulden de kilo. ,,De glastuinbouw begon met sla en tomaten, en ging daarna pas over naar de exclusieve cherrytomaatjes en de courgettes. Wij doen het andersom.'' In een aparte ruimte in zijn bedrijf experimenteert Van Rijsingen met Tylapia, een tropische vis, ,,qua smaakbeleving'' tussen kabeljauw en tong in. Kleine visjes in een grote bak, ze zijn bang voor schaduwen, schrikken van een rimpeling op het water. Fluisterend: ,,Je zit toch als een bioloog naar wilde beesten te kijken. Hebben ze het goede voedsel, zwemmen ze normaal, wat moet ik doen om ze tot volwassen vissen te laten groeien.''