Nieuwe mens

Op Coney Island (oorspronkelijk Konijneneiland) staat een paar honderd meter van de zee een van de indrukwekkendste ruïnes van deze eeuw: de Roller Coaster, de oude houten achtbaan. Als u er in de buurt bent, ga er kijken. Neem trein D of B naar het eindpunt. Het is gemakkelijk te vinden want dit bouwwerk torent nog altijd boven zijn omgeving uit. Al jaren is het niet meer in gebruik. Ieder jaar woekert het groen verder over de lussen, er groeien nu zelfs boompjes waar vroeger de karretjes zich in de helling van 45 graden stortten. Het huisje waar de kaartjes werden verkocht staat in dicht struikgewas. Het geheel doet denken aan het kasteel van Doornroosje. Het beste zou het zijn als het in deze toestand bewaard bleef, niet uit overwegingen van nostalgie, maar omdat dit bouwwerk nog altijd overeind staat als tempel, een kathedraal uit de vroegste jaren van het entertainment.

De omgeving ziet er ook niet verzorgd meer uit. Er staan een paar hotels, bouwstijl begin van deze eeuw, dichtgetimmerd. De direkte omgeving van het subway-eindpunt wordt in beslag genomen door een rommelmarkt waar voornamelijk Russisch wordt gesproken. Aan de overkant staan een paar pretpaleisjes met een inventaris van trekkasten en een foto-attractie waar je je naast Bill Clinton kunt laten kieken, en daarmee hebben we het wel gehad. Naar Coney Island moet je dan ook niet gaan om je eens flink te amuseren, maar uit historische overwegingen. Hier ligt de bakermat van de modernste fase in onze beschaving. Coney Island is het Athene, de oude Roller Coaster is de Acropolis van het entertainment. In zijn essay over de toekomst van het geloof dat ik hier de vorige week heb geciteerd, schrijft John Updike dat de mens van dit fin-de-siècle langer en intenser door het `entertainment' wordt omgeven, dan de middeleeuwse mens door de plechtigheden en het personeel van de kerk. Aan de historische reportages van J.Huizinga in zijn Herfsttij der Middeleeuwen denkend, ben je geneigd te zeggen: dat is heel wat! Daar beierden dagen aan één stuk door de klokken, trokken de processies door de steden, klonken de gezangen. Voor ons om gek van te worden maar de middeleeuwers wisten niet beter. Ze liepen, zongen, schreven en schilderden, bouwden voor God. Daaruit bestaat hun nalatenschap. Wie een kerk uit hun tijd binnengaat, met vooropgezette bedoeling of uit toevallige nieuwsgierigheid, betreedt de middeleeuwen. Je denkt, althans, zo gaat het mij: Wat dachten die mensen? Hoe kun je je verplaatsen in het bewustzijn van iemand die hier acht eeuwen geleden is geweest. Bij het luisteren naar Gregoriaanse gezangen heb ik wel eens de illusie dat er een gevoel van tijdloze vroomheid over me vaardig wordt, maar dat duurt niet langer dan het gezang zelf. De middeleeuwers waren door de kerk omgeven; het geloof met al zijn procedures bepaalde hun bewustzijn – veronderstel ik.

De gedachtengang van Updike volgend, vraag je je af of het met de mens en zijn entertainment dezelfde kant op gaat. In deze krant van 4 september stond een artikel van Tracy Metz, Dikke pret. Daarin wordt beschreven hoe de Leisure Parks met hun steeds verder verfijnde attracties als de bakens van deze tijd op het platteland verrijzen. In het televisienieuws verschenen een paar entertainment-ondernemers die hun stijgende omzet en steeds grotere plannen toelichtten. Duizend jaar geleden de kerktorens, honderd tot honderdvijftig jaar geleden de fabrieksschoorstenen, toen de betonnen televisie- en andere communicatietorens en nu de Leisure Parks. Iedere tijdgeest laat zijn eigen piramides achter. Daarom zou deze begroeide Roller Coaster op Coney Island bewaard moeten blijven, net als de twee torentjes van de fakir met zijn vliegend tapijt op de Efteling; de staaldraden waarover hij knarsend en piepend zijn pendeldienst onderhield.

Updike schrijft dat de westerse mens van nu door het entertainment wordt omgeven. Ik zeg liever: ingesloten. Dat komt omdat ik er van kindsbeen een hekel aan heb gehad, van de schommel in de speeltuin en de gedresseerde olifant in het circus, tot de grappenmaker op de televisie en de film in het vliegtuig. Voor de één is het Luilekkerland, voor de ander een gevangenis.

Er is een mens van de Middeleeuwen geweest, een Renaissance-mens, een mens van de Verlichting – een abstracte mens die in zijn geest het kleinste gemene veelvoud van allen uit die periode bewaarde. Deze abstracte mens is herkenbaar in zijn bouwwerken, zijn kunst en zijn geschriften. Het kan haast niet anders of er groeit nu, in deze jaren, het bewustzijn van de entertainmentmens. Daaruit komt dan een nieuwe kunst voort, romans, poëzie, schilderijen, een filosofie die het bestaan van deze mens rechtvaardigt. En, vrees ik, wie eenmaal boven de veertig is, of misschien wel dertig, zal van deze nieuwe mens niets meer begrijpen. De nieuwe eeuw is van hem.