Nederlandsche Unie

Uit de voortreffelijke bespreking van het proefschrift De Nederlandse Unie (BOEKEN 19.11.99) zou men kunnen concluderen dat De Nederlandsche Unie vrij willoos ten onder is gegaan. Gesteld wordt dat na het verbod van het weekblad De Unie gedurende zes weken er van herverschijning niets meer kwam. Voorts dat de opheffing van De Unie door talrijke beperkingen niet kon uitblijven. Ook in deel 5 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L de Jong wordt deze fase wat summier afgedaan. Echter, voor het oordeel over de Nederlandsche Unie is juist deze periode van redelijk groot belang. Het Driemanschap liet zich niet zwijgend muilkorven, maar gaf luid en duidelijk aan dat het Duitse beleid niet acceptabel was.

Men schreef aan `onze lezers':

`De Duitsche autoriteiten hebben besloten, dat ons weekblad `De Unie', alvorens te verschijnen aan een voor-censuur zal worden onderworpen. Wij menen dat wij op deze voorwaarde niet kunnen ingaan. Zoolang dus deze maatregel geldt, zal de uitgave van ons weekblad door ons worden stopgezet. Doch al zal dan ons blad niet meer verschijnen, De Nederlandsche Unie zèlf werkt onvermoeid door.

Daar is echter geld voor noodig, véél geld, terwijl juist het niet meer verschijnen van ons blad ons een belangrijk deel van ons inkomen onthoudt.

Daarom wekken wij U op, Uw abonnementsgeld te blijven betalen, ook al ontvangt gij er geen weekblad in ruil voor terug, Uw geld is noodig.

Brengt dus bereidwillig Uw offer.

Blijft ons trouw. Wij blijven U voorgaan.

Het Driemanschap''

Voor een dergelijke verklaring was in september 1941 moed nodig. Bij poging tot nuancering in de stammenstrijd tussen `goed' dan wel `fout' verdient ook het feit aandacht dat het Driemanschap weloverwogen de eer aan zichzelf hield. Dit soort uitingen in het openbaar gaf de Nederlander moed. En dat hadden we wel ndig.