Langs de schaduwen

De wetenschap dat het leven niet per definitie goed is, betekent nog niet dat het dat niet kan zijn. Aflevering 49 in een serie van Bas Heijne in het laatste jaar van een eeuw.

In The Straight Story, de nieuwe film van David Lynch, rijdt een oude man, die al met anderhalve voet in het graf staat, op een kleine tractor helemaal van Iowa naar Wisconsin. Hij wil nog een keer zijn zieke broer zien, met wie hij elf jaar in onmin heeft geleefd. De oude man is even koppig als innemend, het soort heilige dwaas waar de wereld beter van wordt. Onverstoorbaar gaat hij op zijn persoonlijke graal af, zijn verlangen om boete te doen en zijn broer weer te zien is sterker dan welke tegenslag ook. Intussen heeft hij het beste met zijn medemensen voor, en wat blijkt, dat gevoel is wederzijds. Waar hij ook heen kart op zijn machine, overal ontmoet hij mensen met een stralende glimlach. Als zijn motor het begeeft, reiken ze hem de helpende hand. Op een avond ontmoet hij een meisje dat ongewenst zwanger van huis is weggelopen en heel boos de wereld inkijkt. De oude Alvin Straight vertelt haar de parabel van het twijgje: je breekt het zo doormidden, maar bindt een heleboel twijgjes samen met een touw en je kunt kracht zetten wat je wilt, breken doen ze niet. Dat, zegt Alvin, is familie. De volgende dag is het meisje op weg naar huis.

Waar een wil is, is een weg.

De regisseur van The Straight Story, die tot nu toe bekendstond als een meester van de vervreemding en achter iedere nette façade van burgerlijk leven een uitzinnige hel wist te suggereren, is zich er terdege van bewust dat zijn film louter uit levensbevestigende wijsheden bestaat. Uit zijn mompelende oude baas komen enkel welwillende platitudes over trouw en trots, jeugd (,,het ergste van de ouderdom is dat je je herinnert hoe het is om jong te zijn') en familiegevoel, maar toch word je op geen enkel moment geacht te schamperen. Alvin Straight is geen autistische ouwe gek. Lynch blijft even onverstoorbaar als zijn hoofdpersoon. Zeg maar eens dat het niet waar is, lijkt hij je te tarten, durf maar eens te ontkennen dat de dingen die deze bejaarde man in hun greep houden, jou koud laten. Vriendschap, fatsoen jegens je medemens, zorg voor je naasten, de behoefte om met jezelf in het reine te komen, zijn dat dan niet de belangrijkste dingen in het leven? Alvin Straight wil het op de valreep goed maken met de wereld. Samen met zijn broer wil hij 's nachts nog één keer naar de sterrenhemel kijken. Dat lukt. Het laatste beeld van de film is een ruimte vol zegenende lichtpuntjes, een vriendelijk universum dat de twee zielen van de broers in zich opneemt.

Het is goed.

Maar, maar, wil je zeggen, dit is te gemakkelijk, zo is het niet. De wereld is geen bidprentje. Familie is geen veilige haven. Angst en vervreemding regeren. Niks loopt goed af, het leven zelf al helemaal niet. Dat is wat Lynch is zijn vorige films liet zien, daar lag de gekte al vanaf het eerste shot op de loer, waanzin was het principe. Hoe valt dat te rijmen met het geruststellende universum van The Straight Story? Is dit een bekering tot een rooskleurig wereldbeeld, tot een suikerzoet levensgevoel?

Zoveel kunst van de afgelopen eeuw was tragische kunst. De mens werd in hoog tempo verlaten door alles wat hem zin en geborgenheid verschafte, door God, door de samenleving, door de traditie, door zijn familie, door zijn eigen psyche, door zijn taal. De kunst kon niet anders dan die schrijnende tekorten laten zien. Er was, zo leerden de absurdisten ons, eigenlijk helemaal geen plaats meer voor een mens op deze wereld, sinds hij alle banden had doorgesneden. Het enige dat hem restte was zijn lot in eigen handen te nemen, maar hoe in godsnaam wanneer alles waar je je aan vastklampte onmiddellijk vervloog of verbrokkelde? Alles was nietig, niets had blijvende betekenis. En daar viel niets tegen in te brengen. Als er al iets te lachen viel, dan was het een hysterische lach. Of een tartende, honende grijns.

En de geruststellende zekerheden van weleer, de levensfilosofie van spreekwoord, spreuk en bidprent? Die waren uit de kunst gezet en in het domein van de kitsch terechtgekomen. De stormen van de nouvelle violence gingen geheel aan het kleine huis op de prairie voorbij. En in de moderne damesroman boden opeenvolgende generaties sterke vrouwen de boze buitenwereld en de vergankelijkheid het hoofd. De romantische liefde, het warme familiegevoel, de vreugde om natuur en schepping, trouw en waardigheid, die woorden waren zo mierzoet geworden, je kreeg pijn in je tanden als je ze uitsprak. Verliefdheid op het leven, die kon je maar beter voor jezelf houden – en je moest al helemaal niet meer proberen er kunst van te maken. Je wist wel beter. Het contrast met de werkelijkheid was te groot. Van al die verheven gevoelens hadden we allang de inktzwarte schaduwkant ontdekt. In God kon je niet meer zonder voorbehoud geloven, in de mens al helemaal niet. De pathologische drift, niet het warme gevoel, bepaalde je bestaan.

Waarom verfilmde juist Lynch dan toch de heroïsche tocht van Alvin Straight (die echt heeft bestaan, en zijn tocht per mini-tractor echt voltooide)? Omdat hij ontdekt moet hebben dat het een het ander niet uitsluit. De ontmaskering van het leven dat zinvol zou zijn, de wetenschap dat het leven niet per definitie goed is, betekent nog niet dat het dat niet zijn kan. Alle dingen waar de oude Alvin zijn laatste dagen door laat beheersen, de zucht tot verzoening met zijn broer en de wereld zelf, zijn neiging om het goede te willen doen, raken wel degelijk een snaar; alleen kunnen ze nog slechts door sentimentele clichés onder woorden gebracht worden. Wat Lynch doet, en daarin is hij plotseling weer even radicaal als in zijn eerste films, is ze zonder voorbehoud tot werkelijkheid verklaren. Hij probeert de clichés niet omzichtig te mijden, hij stormt er direct op af en omarmt ze. De oude clichés over leven en liefde, zegt hij, die zijn allemaal waar. De kunst is niet ze te ontkennen of ze grotesk te maken, maar ze nieuw leven in te blazen.

Alvin is op sterven na dood, dit is zijn laatste tocht. Zijn eigen dochter is niet helemaal goed bij haar hoofd, maar wel doodgoed – en toch zijn haar kinderen haar afgenomen. De tragiek ligt overal op de loer, Alvins absurde reis naar zijn broer loopt slechts op het nippertje goed af. Maar zijn kracht is dat hij zich helemaal niks aantrekt van de verschrikkingen die het leven wel degelijk aan hem heeft geopenbaard, het leven zoals dat in de eerdere films van Lynch te zien was. Binnen de gegeven omstandigheden van leven en dood maakt hij zijn eigen bestaan, schept hij zijn eigen voorwaarden. Hij heeft zijn eigen levensdoel en vervulling gevonden. Het is de heroïek van een man die met acht kilometer per uur door een eindeloos akkerlandschap tuft. Nooit zal hij door de geschiedenis opgemerkt worden, omdat wat hij doet van geen betekenis is. Hij beweegt zich met een slakkengang door hetzelfde universum dat door de absurdisten tot een betekenisloos zwart gat is verklaard, maar voor hemzelf heeft alles zin.

Het leven is zinloos, zijn leven niet.

Wanneer hij aan het einde van de film samen met zijn broer, zittend op diens gammele veranda, naar de sterren kijkt, ziet deze oude man geen afgrijselijke leegte, geen gapend niets waarin hij en zijn broer en de rest van de wereld worden weggevaagd. Hij ziet wat Dante zag aan het einde van de Goddelijke Komedie, de liefde die de zon en de andere sterren beweegt. Het is goed.