Jongeren met een slechte start

Vanaf volgende maand bestaan er officieel geen risicojongeren meer. Dan zitten ze op het beroepsonderwijs om een diploma te halen, althans dat denken de politici.

In een noodgebouw in de Amsterdamse Bijlmer zweten twaalf jongeren en een leraar tijdens de sportles: ,,Een, twee, drie, hop!' Spanning op dat lichaam, Melvin!', roept docent John Coenders. ,,Er zit genoeg spanning in mijn lichaam', kaatst Melvin Marelgo (16) terug, terwijl hij de aerobicspasjes even vergeet en uitbreekt in een breakdance-sessie. ,,Melvin jongen, in de maat blijven!', schreeuwt Coenders.

Melvin en zo'n zestig andere leerlingen in de dependance Kortvoort van het Regionaal Opleidingscentrum Amsterdam (ROCA) zijn zogenoemde `risicojongeren'. Ze waren niet te handhaven op school of gingen er niet meer heen, ze hingen liever op straat rond. Het zijn vaak onhandelbare, soms gewelddadige, pubers met complexe gedrags- en leerproblemen. Na de schietpartij op het regionaal opleidingscentrum De Leijgraaf in Veghel, afgelopen dinsdag, klinkt de roep om betere opvang voor deze jongeren. Nu kampen scholen met het probleem dat ze niet van gewelddadige pubers afkomen, omdat de wet voorschrijft dat eerst een andere school bereid moet zijn om ze op te nemen.

Kortvoort en andere soortgelijke opvang voor risicojongeren willen en kunnen ze wél aannemen. Of dat in de toekomst ook nog kan, is de vraag. Vanaf 1 januari 2000 bestaan de risicojongeren niet meer als aparte groep, maar volgen ze officieel een middelbare beroepsopleiding aan een regionaal opleidingscentrum (ROC). Als dat alleen een kwestie van registratie zou zijn – de projecten zijn vaak onderdeel van een ROC – zou niemand zich druk maken. Maar het heeft grote gevolgen voor het budget: voor de projecten voor dropouts komt vanaf volgende maand niet meer 140 miljoen gulden per jaar binnen van het ministerie van Onderwijs. Dat geld wordt voortaan verdeeld over álle 57.000 leerlingen op de lagere MBO-niveaus. Dat betekent minder geld voor de echte probleemleerlingen.

Dat is wrang, omdat de aanpak van spijbelaars juist politieke prioriteit geniet. Het ministerie van Onderwijs heeft daarvoor dit voorjaar 61 miljoen gulden per jaar beloofd. Het geld wordt via de gemeenten verdeeld en met name gebruikt voor maatregelen om spijbelen te voorkomen en om de verzuimregistratie te verbeteren.

Frans Vlug, secretaris van de koepelorganisatie voor risicogroepen, vreest daarom dat er weinig van bij de echte `boefjes' terecht zal komen.

Het plan om van probleemjongeren MBO'ers te maken, komt van voormalig minister van Onderwijs, Ritzen. Hij schafte vier jaar geleden het Vormingswerk af, dat de dropouts opving. Hij vond het te vrijblijvend: er was veel aandacht voor de `vorming' van de jongeren, maar te weinig voor het behalen van een bruikbaar diploma, ofwel een startkwalificatie voor een baan. Deze groep leerlingen, zei Ritzen, moet ten minste het laagste niveau binnen het MBO kunnen halen. ,,Op zich is het verstandig te streven naar een diploma', zegt Vlug. ,,Maar een MBO-opleiding is voor de meeste van deze jongeren gewoon te hoog gegrepen. Sommigen zullen dat later, als ze weer op de rails staan, wel aankunnen.'

De complexe problematiek van de risicojongeren wordt door beleidsmakers ontkend, vindt Coenders. ,,Ze zijn vaak verwaarloosd en hebben veel gedragsproblemen. Ze hebben meestal een buitengewoon negatief zelfbeeld overgehouden aan hun mislukte schoolcarrière. Iedereen kotst ze uit. Ze hebben geleerd te overleven op straat, en nu moeten ze eerst de kennis en vaardigheden aanleren die nodig zijn om maatschappelijk te overleven.'

Daarvoor is intensieve begeleiding nodig: groepjes van hooguit acht leerlingen, ruime lokalen, veel activiteiten en ervaren docenten. Als Coenders' leerlingen 's morgens niet komen opdagen, worden ze opgebeld en regelmatig stapt de docent of een van zijn collega's op de fiets om ze persoonlijk van hun bed te lichten. ,,Je moet ze aanpakken, anders ben je ze kwijt', zegt hij.

De strakke, op de zestien- tot achttienjarigen toegesneden programma's in Kortvoort hebben succes: tachtig procent stroomt na een jaar door naar het MBO of krijgt werk. Coenders beaamt dat deze aanpak duur is: ,,Als de politici het geld er niet voor overhebben, moeten ze ook niet klagen over onveiligheid op scholen of op straat. Bovendien, weet je wat een plaats in de jeugdgevangenis per dag kost?'

Volgens Piet Boekhoud, bestuursvoorzitter van het Albedacollege (onder meer MBO) in Rotterdam, hebben de politici geen idee over wie ze het eigenlijk hebben. Hun eigen kinderen zitten op havo en atheneum en wonen in een keurige, witte buurt. Boekhoud weet wél waar hij het over heeft, want op het Albedacollege zitten honderden, veelal allochtone, risicojongeren: ,,De politiek bedenkt mooie leerprogramma's, zodat iedereen een diploma kan halen. Het komt niet bij ze op dat niet iedereen in hun trajecten past.'

Bestuursvoorzitter Ankie Verlaan van ROCA: ,,MBO'ers die het laagste niveau volgen, hebben hulp nodig bij het behalen van een diploma. Omdat ze dyslexie hebben, of omdat `Jantje moeite heeft met leren'. De risicojongeren is een totaal ander slag. Die moeten erachter komen dát ze een diploma nodig hebben. Het zijn jongeren met sociale trauma's, bijvoorbeeld jonge asielzoekers die hier geen familie hebben of allochtone kinderen uit achterstandsbuurten die dingen hebben meegemaakt die wij ons niet kunnen voorstellen.'

Furgel Clark (17) weet maar al te goed dat van op straat hangen ellende komt. Hij kwam naar Kortvoort na een jaar jeugdgevangenis voor een beroving met geweld. Hij grijnst een gouden tand met een S, de eerste letter van de naam van zijn moeder, bloot. In de brugklas van de middelbare school begon hij met vechten en spijbelen, vertelt hij. Hij kreeg verkeerde vrienden en toen ging het fout met die beroving. De jeugdgevangenis is hem slecht bevallen: ,,Ik jat nu niets meer', zegt hij. ,,Als ik nu mijn oude vrienden tegenkom, zegt ik: `pleur op!''