Italië's kleine protest

Italië wordt al geruime tijd niet meer geteisterd door grote stakingen. Het accent van de stakingen is tegenwoordig verschoven naar de kleine bonden, die staken nog steeds een populair middel vinden om hun gelijk te halen.

Geen nieuws vandaag in Italië. Geen kranten in de kiosk, teletekst onveranderd sinds 6 uur vanmorgen, en twee korte voorlees-edities van het journaal. De journalisten zijn collectief in staking gegaan. Als trambestuurders, metaalarbeiders en benzinepomphouders kunnen staken, waarom zij dan niet?

Het laat zien hoe sterk de stakingscultuur nog is. Ieder debat over de vraag of en wanneer de brengers van het nieuws wel mogen staken, ontbreekt. Staken is een manier geworden om je manifest voorgelezen te krijgen. Grote en langdurige stakingen die wereldnieuws worden, heeft Italië al een tijd niet meer gehad. Maar kleinere protestacties blijven bij het dagelijks leven horen hier.

Dat ligt niet zozeer aan de vakbonden. In de industrie is het aantal stakingen de afgelopen jaren aanzienlijk verminderd, al zette het Britse blad Labour market trends eerder dit jaar Italië op de vijfde plaats in het stakingsklassement. In Italië gingen in de periode 1993-1997 per duizend werknemers 151 dagen verloren door stakingen. Alleen in Ijsland, Spanje, Canada en Finland werd meer gestaakt. De drie grote vakfederaties realiseren zich al een paar jaar dat ze, als ze zinvol willen deelnemen aan het tripartite overleg met regering en werkgevers, niet te snel naar het wapen van de staking kunnen grijpen.

Het zijn juist de kleinere bonden die gaan staken. Voor hen blijft staken een natuurlijke reflex, een logisch onderdeel van het onderhandelingsproces. Praat artikel 40 van de grondwet niet uitdrukkelijk over een recht om te staken? Er staat wel bij dat gewone wetten dat fundamentele recht aan regels kunnen onderwerpen, maar over die bijzin praten actievoerders niet graag.

Typerend is dat de journalistenstaking een protest vooraf is, een openingszet in de onderhandelingen over een nieuwe cao. De Nationale Journalistenfederatie (FNSI) eist van de federatie van uitgevers (Fieg) dat die uitdrukkelijk vastleggen dat journalisten een belangrijke sociale en professionele rol vervullen in de wereld van de communicatie.

Daarachter zit een wereld van discussiepunten. Moeten de journalisten een beschermde klasse blijven, zoals medici, met speciale toetredingsregels? Moet iemand die het nieuws op internet zet op een website van een krant, tijdschrift, radio- of tv-zender onder dezelfde cao vallen als wie het nieuws opschrijft of monteert? Wat zijn de regels voor free-lancers?

Maar de reden voor de staking is niet dat de discussie over deze specifieke vragen is vastgelopen. De onderhandelingen zijn nog niet eens goed begonnen. Alleen vond de Fieg het onnodig om bij voorbaat de gevraagde verklaring af te geven. De journalistenbond constateerde boos dat de Fieg in zijn antwoord schreef de rol van journalisten ,,niet te onderschatten''. Dat was onvoldoende in de ogen van de FNSI, en daarom is vorige week besloten tot een pakket van vijf dagen staken.

De grote vakbonden zwijgen over deze specifieke staking. Maar zij vinden in het algemeen dat er best minder gestaakt kan worden. Afgelopen zomer verbaaasde Sergio Cofferati, leider van de linkse vakbond CGIL, vriend en vijand door het kabinet tot haast te manen met een wetsvoorstel over scherpere stakingsregels. Een beetje de omgekeerde wereld.