Indonesië koerst weer tussen Oost en West

Door bezoeken aan de VS en China laat president Wahid zien dat Indonesië vasthoudt aan de traditionele koers tussen Oost en West. Nieuw en omstreden is de toenadering tot Israel.

Diplomaten in Jakarta doen dezer dagen verwoede pogingen om oud en nieuw te onderscheiden in Indonesië's buitenlandse politiek onder president Abdurrahman Wahid. Welnu, er is inmiddels materiaal te over. Van de eerste zeven weken in functie bracht Wahid er drie door in het buitenland: achtereenvolgens in Zuidoost-Azië, de Verenigde Staten, Japan, het Midden-Oosten en China. De beroepsvorsers vragen zich af waar het Wahid nu vooral om te doen was met dit drukke reisprogramma. Wilde hij vooral fondsen werven voor Indonesië's economisch herstel en investeerders aantrekken, probeerde hij de separatisten in Atjeh te isoleren en internationale steun te verzekeren voor het behoud van 's lands territoriale integriteit? Of wilde Gus Dur (Wahids koosnaam) zijn zwakke ogen laten nakijken door een keur van buitenlandse artsen in de hoop wat lichtpuntjes te ontwaren aan het turbulente thuisfront?

Om met het laatste te beginnen: Wahid ging achtereenvolgens te rade bij het Moran Eye Centre in het Amerikaanse Utah en bij de Oogheelkundige Kliniek van de Chinese Academie voor Traditionele Geneeskunst in Peking. De Amerikaanse artsen stelden vast dat Wahids rechteroog nog voor 20 procent functioneert en dat zijn linkeroog nooit meer zal zien. Wegens zijn ziektegeschiedenis – diabetes en een zware beroerte – zal verbetering in het rechteroog veel tijd vergen. Professor Tan in Peking was optimistischer: herstel van Wahids gezichtsvermogen is mogelijk en binnenkort komt deze specialist naar Jakarta om de president te behandelen en lokale artsen te onderwijzen in de oogheelkundige acupunctuur.

Zowel in de VS, Japan en China als bij de buurlanden – inclusief Maleisië, waar zich nogal wat rebelse Atjehers ophouden – kreeg Wahid te horen dat niemand daar belang heeft bij een uiteenvallen van Indonesië en dat zijn inspanningen om de rebelse randgewesten bij de republiek te houden op steun kunnen rekenen. Zulke uitspraken moeten naar afscheiding strevende en op buitenlandse bijstand vlassende Atjehers en Papoea's tot nadenken stemmen.

Over Wahids diplomatieke gaven lopen de meningen uiteen. De één noemt hem tactloos en loslippig, de ander prijst zijn vermogen om het vertrouwen te winnen van zijn gesprekspartners. In Peking sneed Wahid de gevoelige kwestie aan van de anti-Chinese sentimenten in Indonesië. De racistische uitbarsting van mei 1998 deed menig etnisch-Chinese entrepreneur zijn biezen pakken. Wahid bezwoer zijn ambtgenoot Jiang Zemin dat Indonesië alle burgers gelijk zal behandelen, maar voegde eraan toe dat wangedrag van enkelingen het imago van de Chinese gemeenschap ongunstig kan beïnvloeden. ,,Al is de soep nog zo lekker, er hoeft maar een muis in te belanden en hij is niet meer te eten'', aldus Gus Dur. Jiang begreep het volkomen.

Dat Wahid zich onlangs in een debat met parlementariërs liet ontvallen dat het niet meevalt om Maleisische politici aan de telefoon te krijgen ,,omdat zij meestal golf spelen'', ontlokte een vraag aan de ambassadeur uit Kuala Lumpur. Die kreeg te horen dat dit juist als compliment was bedoeld: Maleisische politici werken zelfs op de golfbaan! De ambassadeur nam de president op zijn woord. De wereld moet nog wennen aan Wahids kwinkslagen en Wahid moet nog wennen aan de glazen kooi van het presidentschap.

Alle ogen zijn gericht op de president, zijn uitlatingen staan op alle voorpagina's en zo ontstaat de indruk dat hij op eigen houtje een buitenlandspolitieke koers uitzet. Maar de eigenzinnigheid geldt vooral de presentatie. Wahids optreden straalt Indonesisch zelfbewustzijn uit – bij zijn aantreden repte hij van ,,deze grote natie van meer dan 200 miljoen mensen'' – en dat valt goed bij het door crisis en internationale kritiek gedemoraliseerde thuisfront. Toch is hij niet afgeweken van de al in de jaren vijftig uitgezette koers: Indonesië is een niet-gebonden land en kiest zijn eigen weg tussen Oost en West. De keuze van zijn vertrouweling Alwi Shihab als minister van Buitenlandse Zaken illustreert deze middenkoers. Shihab studeerde vergelijkende godsdienstwetenschap in Egypte en doceerde enige jaren aan het Amerikaanse Harvard. Hij spreekt vloeiend Arabisch en Engels.

Wahid en Shihab proberen juist de onevenwichtigheden te herstellen die optraden in Jakarta's buitenlandse politiek in het tijdperk van de Koude Oorlog. Generaal Soeharto verdacht de Volksrepubliek China van regie achter de mislukte coup van linkse officieren, in 1965, en verbrak in 1967 de diplomatieke betrekkingen met Peking. Die werden uiteindelijk in 1990, vooral om economische redenen, hersteld, maar dat stuitte op kritiek binnen de strijdkrachten, waar de angst voor het Gele Gevaar nog niet was geweken. Door China uit te kiezen voor zijn eerste staatsbezoek (van 1 tot 4 december) – de eerder afgelegde visite aan Washington had een informeel karakter – toonde Wahid dat hij dit land als de belangrijkste mogendheid van Azië beschouwt. Dat is in Peking goed gevallen. De China Daily bracht een speciaal katern over Indonesië met een profiel van Wahid en advertenties van Indonesische conglomeraten met een vestiging in de Volksrepubliek.

In één opzicht wijkt Wahid af van gebaande paden en trotseert hij binnenlandse obsessies: in de eerste dagen van zijn presidentschap zei hij dat hij graag naar Israel zou reizen, omdat ,,we, vooral in economisch opzicht, veel van dat land kunnen leren''. Na zijn benoeming zei Shihab op korte termijn handelsrelaties te zullen aanknopen met Israel; diplomatieke betrekkingen moesten wachten tot na een definitief akkoord over de Westelijke Jordaanoever. Dat ontketende een storm van protesten bij islamitische organisaties, die de moslimgeleerde Wahid afdeed als ,,kortzichtig'': het conflict tussen de Palestijnen en Israel zou niet over godsdienst gaan, maar over grondgebied.