Hotel Het Fort

De post bracht een brief van een vriend. Hij was met vakantie in Engeland geweest, schreef hij. Hij had er gewandeld, in zijn eentje, een week lang, door omstandigheden grotendeels in de mist: `Het landschap schijnt er prachtig geweest te zijn.' Hij had zijn tocht beëindigd aan de oostkant, in Hull: een niet al te grote provincieplaats, met wat industrie, visverwerking en (sinds 1954) een universiteit, gelegen aan de Humber, de brede riviermond van Ouse en Trent, waarover sinds enige tijd een enorme hangbrug was gespannen. Die brug was de trots van Hull, zo begreep ik uit de bijgevoegde VVV-folder. Ook bijzonder: maar liefst twee rugbyteams uit Hull spelen in de Rugby League. En in de Ferens Gallery hangt een Frans Hals.

Mijn vriend was na aankomst in Hull op zoek gegaan naar het Royal Station Hotel, maar `niet op een vrijdagnacht', zo schreef hij. Dat was een verwijzing naar Friday Night in the Royal Station Hotel, een gedicht van Philip Larkin, de dichter die een groot deel van zijn leven in Hull woonde. Het hotel bleek niet meer te bestaan; het was na een brand vervangen door een nieuw hotel, van de buitenkant in oude stijl herbouwd, maar van binnen volledig vernieuwd. Het heette nu kortweg `The Royal Hotel', en het was onderdeel geworden van de keten van Friendly Hotels, zo meldde een andere bijgevoegde folder. Motto: `It pays to stay Friendly'.

Larkin schreef zijn gedicht in mei 1966. Het ontstaan ervan is na te lezen in de biografie van Andrew Motion. Larkin kwam eens, in maart 1966, na een bezoek aan zijn oude moeder in Loughborough, op een vrijdagavond met de trein aan in Hull. Op het station zou hij zijn vriendin Monica Jones treffen, met wie hij de paasdagen zou gaan doorbrengen, maar haar trein bleek vertraagd. Om de tijd te doden wandelde hij naar het Royal Station Hotel, dronk er wat, keek wat om zich heen en stelde zich voor hoe het zou zijn om hier te overnachten. Twee maanden later zouden zijn indrukken een plaats vinden in Friday Night in the Royal Station Hotel, een veertienregelig gedicht, door Larkin zelf een sonnet genoemd, maar met een wat vreemde regelverdeling en een niet helemaal volledig rijmschema.

Het gedicht lijkt nog wel stemmig te beginnen, en dichterlijk ook, met dat licht dat donker afdaalt en zich dan neerlegt over lege stoelen, die tegenover elkaar staan, en elkaar ook wel lijken aan te kijken, want door het ontbreken van mensen en menselijke gezichten wordt de letterlijke betekenis van `to face' hier even geactiveerd. Het is leeg in de lobby en leeg in de eetzaal; het zicht op de ongebruikte messen en glazen roept nog meer eenzaamheid op. De stilte wordt bijna voelbaar: als een zwaar tapijt ligt zij over alles heen.

Wat eventueel nog een verstilde vrijdagavondschildering had kunnen worden, groeit uit tot een portret van een leeg, verlaten en eenzaam hotel. Er zijn geen gasten. De enige levende ziel is de portier. Hij heeft niets te doen, dus leest hij maar wat, uit verveling lijkt het wel – en dan ook nog eens een overgebleven krant, die blijkbaar geen koper heeft kunnen vinden. Een station zou een symbool van beweging kunnen zijn, een hotel een toonbeeld van drukte en de vrijdagavond een levendig moment bij uitstek – maar het enige wat hier beweegt en voorbijgaat is de tijd. Alles wordt nu vanzelf symbolisch. Het hotel is niet alleen leeg, maar ook verlaten: in de steek gelaten door de zakenlui die weer terug zijn gegaan naar Leeds, ook niet bepaald bekend om zijn bruisende nachtleven, maar blijkbaar toch altijd nog te verkiezen boven Hull. Tegenover de lege stoelen in de lege lobby staan de volle asbakken in de vergaderzaal: nog zo'n betekenisvolle tegenstelling.

En zou er dan tenminste boven, in de hotelkamers, nog iets van leven of intimiteit zijn? Er is niets dat daarop wijst. Schoenloze gangen: voor de deuren staan geen schoenen te wachten om gepoetst te worden. Daardoor wordt het branden van de lampen ook weer extra zinloos. Dan lijkt ook de dichter zijn afstandelijke houding niet langer te kunnen handhaven. Er klinkt emotie door in zijn verzuchting: `How isolated, like a fort, it is.' Het is een en al eenzaamheid en isolement, dit hotel. Het is een fort waarin men niet uit vrije wil belandt, een ballingschapsoord waaruit men af en toe, op speciaal daarvoor vervaardigd briefpapier, een brief mag versturen naar huis – ware het niet, smartelijk tussenzinnetje, dat het nog maar de vraag is of er zoiets als thuis bestaat.

In die desolate omstandigheden, helemaal aan het eind van het gedicht, begint dan iemand een brief te schrijven, al kun je je na het voorgaande afvragen of er wel een ontvanger voor is. Misschien richt de eenzame hotelgast zich wel tot zichzelf. En misschien is wat hij schrijft geen brief, maar het begin van een gedicht. Die laatste twee cursieve zinnen klinken als een citaat, al zou ik niet weten van wie: vroege Auden, Ovidius, Larkin zelf? Of is het het begin van het denkbeeldige gedicht dat op die hotelkamer geschreven wordt? Het eind sluit in zekere zin aan op het begin: de nacht die op komt zetten en de golven die zich, in de verte, achter de dorpen, zacht ruisend op elkaar leggen herhalen de bewegingen van het neerdalende licht en de zich verdiepende stilte uit de eerste regels. Dat zou dan nog een mooi einde zijn van een verder akelig eenzaam vers: een gedicht dat uitmondt in een brief, die weer de vorm aanneemt van een gedicht – en wel het gedicht dat we net gelezen hebben.