`Hij is de apotheose der indiscretie'

De opzienbarendste brief in de schitterend uitgegeven en voorbeeldig geannoteerde correspondentie tussen Hendrik Marsman (1899-1940) en Adriaan Roland Holst (1888-1976) dateert van 1 augustus 1935. Hij is afkomstig van Jany, zoals Roland Holst zich liet noemen, en hij schrijft zijn elf jaar jongere protégé Henny Marsman, dat hij zes weken lang `dagelijks zeker anderhalf uur razzia's hield onder afgrijselijke stapels bewaarde correspondentie.' Slechts een beperkt aantal brieven heeft hij gespaard, schrijft hij, de rest is verscheurd. `In 't vervolg zal ik haast niets meer bewaren.' Deze passage - een nachtmerrie voor biografen - verklaart waarom de nu gepubliceerde briefwisseling zo eenzijdig is

Van de 130 opgenomen brieven zijn er slechts elf afkomstig van Marsman. De eerste dateert van 9 december 1922, toen de vitalistische dichter - 23 jaar oud - in een pension in Noordwijk aan Zee woonde. De aanhef is dan nog formeel (`Beste Roland Holst'), maar de inhoud toont al een hartelijke verstandhouding. Hij wenst zijn gerenommeerde collega beterschap toe (Roland Holst bevond zich al maanden in een diepe depressie). De laatste van Marsmans elf bewaarde brieven, beginnend met `Beste Jany', schreef hij in het Franse Mornex op 9 januari 1939 om Holst te condoleren met de dood van zijn oom Richard, beeldend kunstenaar en echtgenoot van Henriette Roland Holst. Anderhalf jaar later sterft Marsman, als het schip waarmee hij en zijn vrouw naar Engeland vluchten in Het Kanaal explodeert.

De vraag, die bezorger H.T.M. van Vliet zich ongetwijfeld ook heeft gesteld, is of het beperkte aandeel van Marsman in de correspondentie en de in het algemeen weinig substantiële brieven van Roland Holst deze prestigieuze uitgave rechtvaardigen. Dit najaar verscheen de Marsman-biografie Zee, berg, rivier van Jaap Goedegebuure die uiteraard ook van de briefwisseling met A. Roland Holst gebruik heeft gemaakt. Van Roland Holst zelf werd bovendien negen jaar geleden al een goed ingeleide en geannoteerde correspondentie gepubliceerd die dezelfde periode omvat (A. Roland Holst, Briefwisseling met Richard en Henriette Roland Holst, bezorgd door Erik Menkveld en Margaretha H. Schenkeveld).

A-politiek

Het is waar dat de nu gebundelde epistels, kattebelletjes en kaartjes weinig toevoegen aan wat we toch al (kunnen) weten over Marsman en Roland Holst en de milieus waarin zij zich bewogen. Aan de andere kant is het boek zo gedetailleerd geannoteerd en zo rijk geïllustreerd (op iedere pagina handschriften en/of foto's van de in de brieven genoemde personen) dat er onwillekeurig en spelenderwijs hele werelden voor je opengaan. Jany wist alles over `iedereen' en schreef daar zeer aanschouwelijk over. `Gemengde berichten' noemde hij de roddels over huwelijken, scheidingen, drankmisbruik, verhuizingen, redactiewisselingen en al dan niet literaire conflicten. `Wat Jany betreft', schreef J.C. Bloem ooit aan Jan Engelman, `je weet hoezeer ik op hem gesteld ben, maar één eigenschap heb ik nooit van hem kunnen velen: hij is de apotheose der indiscretie. (-) Hij kan zijn mond niet houden tenzij hij het plechtig belooft.' Voer dus voor biografen, literaire historici en iedereen die van anekdotes houdt.

Opmerkelijk is dat de correspondentie, die bijna het hele interbellum beslaat, zo a-politiek is. Vrijwel niets krijgen we te horen over Marsmans flirt met het Mussolini-fascisme en Roland Holst zwijgt in alle talen over het bruine gevaar. Wel worden we weer getrakteerd op staaltjes antisemitisme, dat bij Jany vaker de kop opstak en waarvoor hij bij Marsman een willig oor vond. Op 19 september 1922 schreef hij vanuit zijn woonplaats Bergen: `Ik dank de heldere weergoden van mijn ras, dat het jaargetijde van de joden-met Schillerkragen is weggewaaid'. In een noot wordt vermeld dat in de zomermaanden joden uit de Amsterdamse volksbuurten massaal naar het strand van Bergen trokken, waar zij volgens de inwoners van het dorp de rust verstoorden met hun `luidruchtige toerisme'.

Maar ook in de winter had Jany last van joden. Zo uitte hij op 13 december 1922 kritiek op expressionistische gedichten van Marsman die hij `te cerebraal' vond. `Dit modernisme wordt zoo gauw Berlijnsch-Joodsch - pas op voor die nachttreingezel.' In de kantlijn is Marsmans gedicht `Nachttrein' afgedrukt, waarin de strofe voorkomt: `mijn gezel is een jood/ wien slaap den mond spalkt/ hij riekt naar het kwade.' Twee jaar later moet Marsman een bezoek aan Roland Holst uitstellen tot eind juni wat hem enorm spijt omdat `ik waarschijnlijk tegelijk met de joodsche badgasten in B. ben.'

Het woord seksist was nog niet uitgevonden in die tijd, maar dat neemt niet weg dat Jany er één was. Vrouwen, althans sterke, zelfstandige vrouwen, zoals de schilderes Charley Toorop (1891-1955), met wie Holst en Marsman beiden amoureuze betrekkingen hebben onderhouden, schrokken hem af. Op 18 februari 1932 schreef hij Marsman dat Charley, die ook in Bergen woonde en haar huis door Rietveld liet opknappen, bij hem op de thee was geweest. `Zij was zeer goed gekleed, en vulde die kleeren met een haast te goede gezondheid en een vrijwel onbescheiden energie. Die aanbeden vitaliteit maakte haar gedachtengang verbluffend simplistisch en haar blik starend (-). Eigenlijk is 't zoo aardig, dat een vrouw als Charley niet denken kan.' En in een volgende brief (5 maart 1932) schrijft hij naar aanleiding van Charley's levenslust: `Als Spengler haar ziet, gooit hij de Untergang in zee zoodra't eb is'. Uiteraard wordt in een noot verwezen naar het boek van Oswald Spengler Der Untergang des Abendlandes, dat toen in zwang was en vaak in de correspondentie opduikt.

Liefdesperikelen

Een interessante discussie ontspint zich in de zomer van 1934 tussen de eeuwige vrijgezel Roland Holst en de met Rien Barendrecht getrouwde Marsman over de vraag in hoeverre kunstenaars zich de knellende banden van een huwelijk en/of gezin kunnen veroorloven. Jany schrijft naar aanleiding van het huwelijk tussen Eddy Du Perron en Elisabeth de Roos dat zij `een prachtige steun' voor hem is. Maar over zijn vriend de compomist Matthijs Vermeulen merkt hij op dat als deze werkelijk een creatief kunstenaar was, hij `de belemmeringen (als die van een groot gezin) zou hebben vermeden. (...) Verlaine b.v., hoezeer ook verzwabberd, zou zich nooit aan verantwoordelijkheden hebben gebonden, die zijn dichterlijke kansen veel beslissender teniet hadden gedaan dan welke débauches ook.' In dezelfde brief weidt Jany uit over zijn `erotische zijsprongen' met een vrouw uit `de meest simpele dorpskring' zonder welke hij `in een periode van productiviteit en dus weinig uitvieren van lichaamskracht voorlopig nog wel niet zal kunnen rondkomen.' Marsman antwoordt dat Jany's opmerkingen over Vermeulen hem erg hebben beziggehouden en hij erkent dat zelfs `een monogaam huwelijk zonder kinderen', de situatie waarin hij zich bevindt, al `een beperking' is voor lyrische kunstenaars. Een paar maanden later vraagt hij Roland Holst om een adres waar zijn vrouw Rien zich kan laten aborteren. Jany levert hem onmiddellijk twee adressen in Amsterdam, `die beide zeer goed en vertrouwd schijnen te zijn.'

Andere liefdesperikelen die veel aandacht krijgen zijn die tussen Jacques Bloem (1887-1966) en zijn bijna twintig jaar jongere (ex)echtgenote Clara Eggink (1906-1991). Na hun scheiding in 1932 begon Clara een verhouding met de 22-jarige Jaap Jonker. Bloem die dit niet kon verkroppen, maakte Clara het leven onmogelijk zodat zij de relatie verbrak. Vervolgens pleegde haar jonge minnaar zelfmoord. De vrienden hielden Bloem verantwoordelijk.

Wie op zoek is naar diepzinnige ontboezemingen van beide dichters over hun werk, zal weinig opzienbarends tegenkomen in deze correspondentie. Wel treedt Roland Holst, van 1919 tot 1933 redacteur van De Gids, in zijn brieven herhaalde malen op als mentor van Marsman, die hij als jong dichter publicatiemogelijkheid gaf in het deftige tijdschrift. Achter in het boek is als bijlage alle correspondentie uit het Gids-archief opgenomen die betrekking heeft op Marsman. Dit levert tamelijk saaie lectuur op, maar de documenten tonen wel aan hoe Roland Holst in deconservatieve redactie moest vechten voor zijn protégé. Zo schrijft Johan Huizinga in 1922 over de vraag of een essay van Marsman moet worden geplaatst: `Onvoorwaardelijk tegen, met den raad aan M. om tien jaar te zwijgen.'

Dat Marsman die raad niet heeft opgevolgd en de tien jaar die volgden zijn productiefste periode mocht noemen, is in grote mate aan de genereuze Roland Holst te danken. Als er één ding duidelijk wordt in deze corresponentie - die alleen al daarom de moeite waard is - is het dit.

H.T.M. van Vliet (bezorging): Tussen twee generaties. Briefwisseling A. Roland Holst en H. Marsman (1922-1940). Letterkundig Museum, 425 blz. ƒ55,-