Het knagende verleden

Het conflict tussen de schrijver Martin Walser en de inmiddels overleden leider van de Centrale Raad van de joden in Duitsland, Ignatz Bubis, beiden geboren in 1927, is de zoveelste episode in een lange reeks van incidenten die te maken hebben met de verwerking van het nazi-verleden. In de `Historikerstreit' (1986) ging het over de verdeling van de schuld over meerdere schouders en een nieuwe `nationale' identiteit voor de toenmalige Bondsrepubliek. In het Goldhagen-debat (1996) waren de collectieve motieven van de daders het hoofdonderwerp en werd het gehele Duitse volk op grond van een bijna collectieve schuldthese en een vermeend `eliminatie-antisemitisme' in de beklaagdenbank gezet. Het conflict tussen Walser en Bubis gaat niet over de holocaust zelf, maar over de manier waarop de herinnering daaraan gestalte moet krijgen, als collectieve herdenking of als individueel gewetensprobleem.

Het dispuut brak uit naar aanleiding van de redevoering die Walser op 11 oktober 1998 ter gelegenheid van de `Friedenspreis' in de Frankfurter Paulskirche hield. Na afloop van de lezing bleef Bubis, terwijl de zaal de laureaat een staande ovatie bracht, demonstratief zitten. Zonder Bubis' felle reactie op Walsers woorden had deze rede waarschijnlijk niet zo veel stof doen opwaaien. Bubis noemde de schrijver een `geestelijke brandstichter' en deze harde kwalificatie, die Walser in de hoek van het rechts-extremisme en antisemitisme plaatste, schoot volgens velen haar doel voorbij.

De kern van Walsers betoog was dat er volgens hem een einde moest komen aan wat hij noemde de `instrumentalisering' van `onze schande' (lees: Auschwitz) voor doeleinden in het heden. Hij opende de aanval op de linkse moraalridders die voortdurend in de media bezig waren hun mening over de holocaust aan anderen op te dringen. In zijn ogen wordt de herinnering aan de genocide op de joden door wat hij noemt `Meinungssoldaten' die `met getrokken moraalpistolen' anderen `intimideerden', misbruikt om de herdenkingsroutine ten eigen bate te exploiteren.

Het doel van Walsers rede was niet om de ellende van Auschwitz te ontkennen of te relativeren, of om er een streep onder te zetten, maar om de verlammende werking van deze openbare `Betroffenheitskultur' en de daarbij behorende `political correctness' te doorbreken en het individuele geweten meer te laten spreken. Hij wil niet permanent de verantwoordelijkheid van andermans schuld dragen en zich moeten schamen. De argumenten waarom dit zou moeten gebeuren ontbreken echter in zijn betoog en zijn woorden zijn eerder te beschouwen als een klacht en een afrekening met links dan als een analyse .

Kemphanen

Het gaat Walser om de autonomie als individu en schrijver, en niet om de morele voortrekkersrol die vele intellectuelen zo lang hebben gespeeld. Zijn laatste veelgelezen roman Ein springender Brunnen is een oprechte en niet vooringenomen poging om de `zuiverheid' van zijn jeugd te redden en de omstandigheden te schetsen waaronder zijn moeder toetrad tot de NSDAP. Een auteur heeft recht op zijn geweten en op zijn eigen herinneringen, maar een spreker in het openbaar van het niveau Walser had het effect van zijn woorden beter moeten inschatten. Op een aantal punten is hij misverstaan en heeft hij provocatieve en tamelijke vage uitspraken gedaan. Met name het gebruik van de term `Wegschauen', het niet meer willen aanzien van de verschrikkelijke beelden van concentratiekampen, is hem kwalijk genomen, omdat hij daarmee extreem-rechts in de kaart zou spelen. Hoewel dit verwijt onzin is, kan men Walser wel kwalijk nemen dat hij zijn eigen kwetsbaarheid tot algemene norm heeft willen verheffen en dat hij de schijn wekte de confrontatie met de realiteit van het verleden uit de weg te gaan, zoals Richard von Weiszäcker schreef. Walsers opmerkingen werden, zoals uit de vele brieven blijkt, blijkbaar beschouwd als een bevrijding uit het keurslijf van schuld en boete, van de mea-culpa-houding. Eindelijk durfde iemand iets uit te spreken wat anderen allang dachten, namelijk de wens om het verleden te laten rusten.

Een groot deel van de in Duitse dagbladen en tijdschriften gevoerde discussie (artikelen en ingezonden brieven) is verzameld in de bundel Die Walser-Bubis-Debatte. Daaraan zijn brieven toegevoegd die beide kemphanen persoonlijk hadden ontvangen. Wat de bundel interessant maakt is niet zozeer het brede scala aan reacties, maar het inzicht dat hier een pijnlijk en onoplosbaar misverstand ligt dat de oorzaak is van de hoogopgelopen emoties. De kern hiervan is de verhouding tussen `daderschap' en `slachtofferschap'. De vraag rijst of `daders' en `slachtoffers' elkaar in Duitsland ook na zoveel jaren ooit recht in de ogen hebben gekeken, zoals bijvoorbeeld in Zuid-Afrika. Bubis koesterde op grond van eigen ervaringen - begrijpelijk, maar niet terecht - de angst dat grootschalige antisemitische uitbarstingen zich in het huidige Duitsland zouden kunnen herhalen. Walser is iemand die het Derde Rijk als kind en jong volwassene heeft meegemaakt en over Auschwitz alleen uit tweede hand heeft gehoord. In zekere zin voelt Walser zichzelf ook het slachtoffer van de geschiedenis, maar dat gold voor Bubis en andere joden in een nog veel grotere mate. Deze kloof tussen niet-daders en echte slachtoffers is nog steeds moeilijk te dichten en ook de kern van het misverstand tussen beide combattanten, zoals Robert Leicht, medewerker van Die Zeit, terecht heeft opgemerkt. Wie een scheve vergelijking maakt tussen het leed van de joden en die van de niet-joodse generatie van Walser, zoals de SPD'er Klaus von Dohnanyi, zoon van een verzetstrijder.

In plaats van de `banaliteit van het kwaad' spreekt Walser liever van de `banaliteit van het goede', de dwang van de goede bedoelingen. De schuldkwestie is in zijn ogen een puur individuele aangelegenheid: `iedereen is met zijn geweten alleen' en hij verzet zich daarom tegen het collectieve herdenken. Deze opvatting kan de deur openzetten voor minder verkwikkelijke opvattingen bij hen die het met hun geweten niet zo nauw nemen als Walser en die zijn woorden opzettelijk misbruiken. Walser vergeet bovendien dat, mede dankzij deze officiële herdenkingscultuur, de Bondsrepubliek tot een stabiele democratie kon uitgroeien.

De afwijzing van het collectieve idee van herdenken blijkt ook uit Walsers denigrerende opmerkingen over het Holocaust-monument in Berlijn. Hij typeert dat als een `nachtmerrie, zo groot als een voetbalveld' en `Monumentalisierung der Schande'. De omgang met het nazi-verleden is echter niet alleen een individuele, maar ook een nationale aangelegenheid en dat geldt met name voor Duitsland.

Het Walser-Bubis-conflict is een van de vele episodes in het proces van herdefiniëring en herijking van de nationale identiteit na de Duitse vereniging van 1990, zoals Paul Scheffer in zijn bijdrage aan het boek terecht stelt. Dat dit nog steeds langs de lijnen van de pijnlijke ervaringen van 1933-1945 loopt, ligt voor de hand. Wel zijn er interessante verschuivingen waar te nemen. De consensus over de democratische ontwikkeling van de Bondsrepubliek, als antibeeld tegenover het gruwelijke verleden, dreigt verloren te gaan. Het heftige karakter van deze discussie is tekenend voor het onzekere overgangsklimaat waarin de Bondsrepubliek zich tussen `Bonn' en `Berlijn' bevindt. Er heeft een generatiewisseling plaatsgevonden en er is sprake van meer pluriformiteit en minder overzichtelijkheid. Enerzijds is men bezig afscheid te nemen van de couveuse-cultuur, waarvan het provinciale Bonn het symbool is, anderzijds wil men in Berlijn meer nationaal zelfbewustzijn en daadkracht tonen en zich losmaken van het beladen verleden en de bevoogding door anderen.

Machtsdenken

Na de Duitse vereniging is een aantal thema's van hun taboe ontdaan, zoals nationalisme, machtsdenken en geopolitiek. De toenemende ontideologisering en de secularisatie hebben na de vereniging geleid tot een `privatisering' van de moraal en een politiek pragmatisme waaraan elk vorm van idealisme dreigt te ontbreken. Het zijn vooral conservatieve of realistische intellectuelen als Walser die in de discussies tijdens het laatste decennium van deze eeuw de toon zetten. Zij verzetten zich al sinds de jaren tachtig tegen de dominerende links-liberale consensus en de zogheten `Gesinnungsästhetik' van de generatie '68. Deze afkeer van het linkse moralisme en utopisme, het deficit van de linkse droom, wordt nog eens versterkt door de pijnlijke ervaringen van een aantal Oost-Duitse schrijvers, wier idealen van socialisme en humanisme na de ommekeer van 1989/1990 op allerlei manieren in diskrediet zijn gebracht. De slinger is zelfs naar de andere kant doorgeslagen. Door het verdwijnen van de grote politieke ideologieën gebaseerd op een collectivistische heilsverwachting en een moralistisch missiebewustzijn, is links in de hoek gedreven en hebben pragmatici de leiding overgenomen.

Hoewel het moeilijk is te voorspellen hoe in de toekomst deze problematiek zal worden beleefd, kan men zeggen dat alleen een nieuwe generatie die na val van de Muur is opgegroeid, een andere, minder moralistische visie zal ontwikkelen. Wie de balans opmaakt, moet constateren dat de Bondsrepubliek enerzijds voldoende immuniteit heeft opgebouwd tegen het gif van het rechts- en links-extremisme, maar dat anderzijds de patstelling blijft bestaan dat het machtigste land in Europa in zijn actuele handelen belast zal blijven door het verleden. Dat zal duren zolang er nog getuigen en betrokkenen leven. Hoe komende generaties, niet-joden en joden, Duitsers en niet-Duitsers, dit Walser-Bubis-debat zullen beoordelen is onzeker. Positief is dat een dergelijke discussie openlijk door vooraanstaande figuren in Duitsland samen met vele gewone Duitsers gevoerd wordt. De controverse markeert mogelijk een scheidslijn tussen een collectieve moralistische herdenkingscultuur en een meer individuele manier om met het verleden om te gaan. Het conflict is vooral een strijd geweest tussen twee gekwetste oude mannen die beiden hun steentje aan de Bondsrepubliek hebben bijgedragen, maar in hun stellingname representatief zijn voor een generatie die volledig met het verleden was vergroeid.

Frank Schirmacher (red.):

Die Walser-Bubis-Debatte.

Eine Dokumentation.

Suhrkamp Verlag, 682 blz. ƒ56,-