EU-akkoord spoorvervoer van goederen

De Verkeersministers van de Europese Unie hebben vannacht in Brussel een akkoord bereikt over de liberalisering van het goederenvervoer per spoor. De toegang tot het spoor in elkaars landen wordt hierdoor aanmerkelijk vergemakkelijkt.

De Nederlandse minister Netelenbos toonde zich vanmorgen voldaan over de uitkomst. ,,Het is voor het eerst dat er in EU-verband een akkoord op dit terrein is bereikt'', aldus de bewindsvrouw tegenover deze krant. Ook de Finse voorzitter van het beraad, Olli-Pekka Heinonen, sprak van een ,,belangrijke stap vooruit.''

De kern van de overeenkomst is dat de procedures voor toegang op elkaars spoor aanmerkelijk worden vereenvoudigd. Netelenbos repte in dit verband van een ,,ontbureaucratisering''. Iedereen krijgt voortaan in principe het recht op het spoor in de lidstaten ongehinderd goederen te vervoeren. De effecten van het akkoord zullen overigens naar verwachting pas op zijn vroegst over twee jaar voelbaar worden.

Een goederentrein uit Rotterdam zal op grond van de nieuwe afspraken voortaan bij voorbeeld zonder moeite naar Nice kunnen rijden, stelde de Nederlandse minister. De spullen hoeven dan dus niet meer eerst per vrachtwagen naar Lille te worden gebracht en vervolgens verder per trein naar Nice.

Op het ogenblik zorgen vooral het invullen van allerlei formulieren aan de grensovergangen in Europa voor veel vertraging in het goederenvervoer per spoor. De gemiddelde snelheid bedraagt daardoor slechts 17 kilometer per uur. ,,We moeten nu eindelijk eens naar een fatsoenlijke 80 kilometer per uur toe'', aldus Netelenbos.

Waarnemers in Brussel vroegen zich echter wel af in hoeverre vooral Frankrijk in de praktijk zou meewerken aan de uitvoering van het akkoord. De bepalingen ervan zijn namelijk niet overal eenduidig. Verscheidene landen hebben bovendien voorbehouden laten aantekenen bij onderdelen van het akkoord.

Een belangrijk aspect bij de onderhandelingen was verder de heffing, die dient te worden geheven voor het gebruik van het spoor. De meeste landen waren er voor deze zo laag mogelijk te houden. Alleen Duitsland lag wat dit betreft dwars. De Deutsche Bahn kampt met een schuld van zo'n 60 miljard mark, die vooral een erfenis is van de overname van de sterk verouderde voormalige Oostduitse spoorwegen. De Duitsers hadden wettelijk al geregeld dat een groot deel van dit bedrag via heffingen op het gebruik van het spoor moest worden terugverdiend.

Andere lidstaten vreesden dat hierdoor de tarieven in Duitsland onevenredig hoog zouden blijven, waardoor het spoorvervoer minder aantrekkelijk zou worden. Uiteindelijk besloten de andere staten echter Duitsland in dit opzicht zijn gang te laten gaan. Wel zal de Europese Commissie in de gaten houden of Duitsland niet te zeer uit de pas loopt met de tarieven uit anderen landen.