Een vriendschap in negentig brieven

Een paar uur voor zijn dood, op dinsdag 31 mei 1960, schreef Alfons de Ridder alias Willem Elsschot een roerende brief aan zijn Nederlandse vriend Jan Villerius. Hij vertelde hoe hij zondagmiddag, net ontslagen uit het ziekenhuis, bezoek had gekregen van `een nette, vriendelijke Hollander' die naar zijn toestand kwam informeren. `Ik was te suf,' vervolgde De Ridder, `om een ordentelijke conversatie onder de ogen te durven zien en liet mijn bezoeker na een minuut of zo heengaan. Na een paar uren geslapen te hebben stond zijn innemend figuur mij opnieuw voor de geest terwijl een stem uit mijn onderbewustzijn mij toefluisterde ``toe nou, het is een vriend.' En opeens wist ik het: CARMIGGELT. Hoe ongelooflijk het ook mag klinken: ik had hem niet herkend.'

Het laatste schrijven van Fons de Ridder – een dag tevoren had hij Carmiggelt eenzelfde brief gestuurd – vormt het slotstuk van zijn correspondentie met Jan C. Villerius, Elsschot-fan en leraar te Rotterdam. Drieëneenhalf jaar eerder had de 24-jarige amateurcriticus zijn idool een brief gestuurd waarin hij hem vroeg of hij in de novelle Tsjip (1940) bewust een variatie op zijn gedicht `Spijt' uit 1934 had opgenomen. Hoewel Villerius een fout maakte (de ontlening is te vinden in het vervolg op Tsjip, De leeuwentemmer) reageerde Elsschot enthousiast: `Het heeft 16 jaren geduurd voor in heel Nederland en Vlaanderen iemand onder het lezen plotseling ``stond' als een goed afgerichte jagershond tot hij de tegenhanger in het vizier kreeg.' Het was het begin van een vriendschap die 90 brieven zou duren en die nu, tezamen met een cd met geluidsopnamen van een voorleestournee door Holland, zijn gepubliceerd als Elsschot leest voor.

Slechts achttien van de opgenomen brieven waren niet te vinden in de meer dan 1000 bladzijden tellende collectie Brieven die Vic van de Reijt en Lidewijde Paris zes jaar geleden uitgaven. Maar dat maakt dit veel bescheidener boek niet overbodig. Zoals destijds al werd opgemerkt, behoren de brieven die Elsschot aan Villerius stuurde tot de leesbaarste uit het corpus – al was het alleen maar omdat hij geduldig alle gedetailleerde vragen van zijn `geachte jonge Vriend' beantwoordde. Villerius was een groot kenner van Elsschots werk en bovenal een goed lezer; de bejaarde maestro, die sinds de novelle Het dwaallicht uit 1946 geen boeken meer had geschreven (`Ik heb er geen zin in, DUS kan ik het waarschijnlijk niet meer'), voelde zich gevleid en gaf met liefde commentaar op de artikelen die Villerius over zijn werk in kranten en tijdschriften publiceerde. Hij ging zelfs zover om Villerius persoonlijk bij de NRC (`die eerbiedwaardige oude tante') aan te bevelen als recensent van zijn in 1957 verschenen Verzameld Werk – iets waarop literair redacteur Adriaan van der Veen met bovenmoerdijkse verbazing reageerde.

Geprikkeld door de interpretaties van Villerius laat Elsschot zich in zijn brieven openhartig uit over zijn werk. Jazeker, het belang van de poëzie in zijn oeuvre is altijd onderschat, en inderdaad, Het dwaallicht is een `verholen kerstverhaal' dat wemelt van de christelijke symboliek. Leestekens moeten spaarzaam worden gebruikt; eenlettergrepige woorden hebben zijn voorkeur. En de auteur heeft geen enkel bezwaar tegen een biografische interpretatie van zijn romans. In interviews verklaarde hij altijd dat hij geen greintje fantasie had, en aan Villerius schrijft hij onder meer, over Een ontgoocheling: `Ikzelf ben Kareltje en De Keizer sr. is mijn vader.'

Omdat aan Elsschot leest voor ook de tien artikelen zijn toegevoegd die Villerius aan Elsschots leven en werk wijdde, is het boekje een aardige introductie op de schrijver van uitgeloogde meesterwerken als Kaas en De verlossing. Eigenlijk nog aardiger dan de recente monografie die de Belgische (scenario)schrijver Fernand Auwera publiceerde ter gelegenheid van de verfilming van Lijmen en Het been door Robbe de Hert. Ook Auwera heeft Elsschot nauwgezet gelezen en kan smakelijk over hem vertellen; maar hij wil té graag de stelling bewijzen dat Elsschot niets om plot gaf en daardoor compositorische `fouten' maakte. Zo gooit hij het kind met het badwater weg.

Nee dan Villerius. Hij is scherp én mild over het werk van zijn idool, en wordt beloond met een steeds hechter groeiende vriendschap. `Ik schrijf geen artikeltjes met voetnoten alleen,' zegt hij in zijn mooiste brief (d.d. 20-10-1958), `ik móet ook aan u denken, als aan iemand die in mijn leven thuis hoort, vandaag, gisteren, morgen.' Fons de Ridder was zijn aangenomen vader – een rol die de bejaarde schrijver op het lijf geschreven moet zijn geweest. Wie op het cd'tje bij de briefwisseling Elsschot uit Kaas hoort voorlezen, als een vriendelijk-geestige opa met een jonge stem en een licht Vlaams accent, zou nog jaloers op Villerius kunnen worden.

Elsschot leest voor. De briefwisseling tussen Willem Elsschot en Jan C. Villerius. Bezorgd door Wieneke 't Hoen en Vic van de Reijt, bijgevoegd een cd met o.a. een voorlezing van Elsschot. Querido, 199 blz. ƒ34,90

Fernand Auwera: Willem Elsschot. De Prom Bibliofiel,

126 blz. ƒ24,90