`Een goede en ondoorgrondelijke vriend'

Na de Tweede Wereldoorlog verliep de vriendschap tussen Ernst Jünger (1895-1998) en Carl Schmitt (1888-1985) `niet rimpelloos', schrijft Jan Ipema in het tweede deel van zijn Jünger-biografie Tegen de stroom. Dat lijkt zwak uitgedrukt, als je tenminste kijkt naar de dagboekaantekeningen van Schmitt uit de jaren 1947-1951, die in 1991 postuum werden gepubliceerd onder de titel Glossarium. Schmitt, de voormalige `kroonjurist van het Derde Rijk', is net ontslagen uit Amerikaanse gevangenschap en wentelt zich in wrok en zelfbeklag. Jünger, die zich nooit met de nazi's heeft geëngageerd, is er veel genadiger vanaf gekomen. Na een kort publicatieverbod is zijn literaire ster opnieuw rijzende, en in de beslotenheid van het dagboek laat Schmitt zijn afgunst de vrije loop.

`Ernst Jünger is een prima donna geworden', schrijft hij verbitterd in 1949. `Ernst Jünger wordt rijper en rijper', lezen we elders, `Nu is hij weldra rijp voor de Nobelprijs. Met deze lauweren gesierd zal hij dan arm aan arm met André Gide en T.S. Eliot uit wandelen gaan in de Jardin des plantes'. Schmitt verwijt hem boeken te schrijven waarin `niets gevaarlijks' wordt gezegd en alleen `pseudomythologische coulissen' worden geschilderd. Zelfs Jüngers stem (`de meest armzalige, benauwde stem die ik in mijn leven heb gehoord') moet het ontgelden.

Het is pijnlijk en nogal gênant om te lezen. Iemand die zich zo ongeremd laat gaan, je krijgt er plaatsvervangende schaamte van. Dat geldt trouwens ook voor de rest van dit Glossarium, waarin Schmitt Hitler weliswaar een `misdadiger' noemt, maar zonder een moment te overwegen dat zijn eigen bijdrage aan het Derde Rijk eveneens misdadig kan zijn geweest. Er komt geen schuldbekentenis over zijn lippen. Verongelijkt gaat hij als vanouds tekeer tegen de joden en tegen het `eenheidsfront van vruchtafdrijvers, lijkenverbranders en pacifisten', dat hem als zondebok par excellence zou hebben uitgekozen.

Op dronk

Schmitts dagboek is een onvrijwillig demasqué, zozeer contrasteren toon en inhoud met de gedecideerdheid en analytische scherpte van zijn overige werk. Toen Jünger in de jaren negentig het dagboek las, was hij begrijpelijkerwijs onaangenaam verrast. `Ergerlijk', vond hij het wat Schmitt over hem had geschreven, al voegde hij eraan toe: `voor hem nog meer dan voor mij'. Men drong aan op de publicatie van zijn briefwisseling met Schmitt om ook de andere kant van hun relatie in de openbaarheid te brengen, maar in zijn dagboek Siebzig Verweht (deel V) schrijft Jünger dat hij die correspondentie `als een wijn in de fles' liever nog wat tijd wil gunnen.

Nu, meer dan anderhalf jaar na Jüngers dood, is de wijn kennelijk op dronk, want onlangs is hun Briefwechsel alsnog verschenen, voorzien van een uitgebreid notenapparaat en een deskundig nawoord. Inderdaad komt er een heel andere kant uit te voorschijn, want van wrok of rancune is in de brieven niets te merken. Alleen in 1949 is er opeens sprake van een `gewisse Verstimmung', waarbij Jünger opmerkt dat hun verhouding om voor hem onbegrijpelijke reden kennelijk is `veranderd'. Hij vraagt zijn vriend eventuele bezwaren tegen hem openlijk uit te spreken.

Erg openlijk gebeurt dat niet, althans niet per brief. Schmitt maakt gewag van zijn `overgevoeligheid', die hij in verband brengt met zijn situatie als `outlaw, tegen wie een oude, diepe haat de vrije hand heeft gekregen'. Een paar maanden later blijkt de lucht nog niet opgeklaard en nu dringt Schmitt erop aan eindelijk eens in een open gesprek op de `zaak zelf' in te gaan.

Jünger schrijft terug dat hij zo langzamerhand niet meer weet om welke `zaak' het precies gaat. Maar wanneer hij het vervolgens heeft over de `folgenschwerste Entscheidung ihres Lebens', dan valt toch wel te vermoeden wat er bedoeld wordt: Schmitts acceptatie in 1933 van Goerings uitnodiging om zitting te nemen in de Pruisische Staatsraad of zijn legitimering in 1934 (met het beruchte artikel `Der Führer schützt das Recht') van de Nacht van de Lange Messen. Beide zaken had Jünger hem destijds ontraden, maar een reden om elkaar de vriendschap op te zeggen was dat nooit geweest – iets wat overigens evenveel over Jünger zegt als over Schmitt.

Een van de meest opvallende en ook wel teleurstellende kanten aan deze correspondentie is dat de concrete politiek er nauwelijks een rol in speelt. Op die ene `Verstimmung' na, ontzien Jünger en Schmitt elkaar, overtuigd als zij zijn met elkaar iets te delen dat ver boven het politieke gewemel uitstijgt. Jünger heeft zich na 1933 teruggetrokken in een `innere Emigration'; Schmitt, in 1933 lid geworden van de NSDAP, speelt een belangrijke rol in de juridische top van het Derde Rijk, totdat hij in 1936 – na een aanval op zijn persoon in het SS-blad Das Schwarze Korps – een deel van zijn functies verliest. Maar van dit alles blijkt vrijwel niets uit hun brieven.

Vanaf de eerste brief op 14 juli 1930 domineert een ietwat behoedzaam wederzijds respect, dat zeker van Jüngers kant gepaard gaat met grote bewondering. `U heeft mij voor veel dingen de blik gescherpt', schrijft hij na lezing van Schmitts Politische Romantik, en diens Der Begriff des Politischen noemt hij – met instemming – een `mijn die geluidloos ontploft'. Beiden zijn het erover eens dat een `Entscheidung' noodzakelijk is, wil er ooit een `nieuwe Duitse politiek' komen. Maar nadat Hitler in 1933 die `beslissing' heeft geforceerd, wijken de briefschrijvers uit naar neutraler terrein. Jünger stuurt Schmitt nog wel een afschrift van zijn brief aan de Völkische Beobachter, waarin hij dit nazi-blad verbiedt stukken uit zijn werk af te drukken – zonder dat daarop een reactie volgt.

In plaats daarvan wisselen de vrienden literatuurtips uit, vooral Franse auteurs, onder wie Léon Bloy, Bernanos, Julien Green, Michaux, Valéry en ook Céline, de `Rabelais van een volkomen nietswaardige wereld', aldus Jünger. De lectuur van diens Voyage au bout de la nuit schrijft hij `vermoeiend' te hebben gevonden: `Dat de anarchisten vervelend worden, is misschien het laatste teken dat het met een maatschappij ten einde loopt'. Ondanks hun voorkeur voor Franse boeken en Franse wijn (want beiden schrijven meer dan eens hoe gezellig ze samen een flesje hebben leeggedronken) blijkt de toekomst toch uit Duitsland te moeten komen.

Prometheus

Ook over hun privé-leven komen we weinig te weten, al worden vaak de groeten van beider echtgenotes bijgevoegd en wordt Schmitt in 1934 de peetoom van Jüngers tweede zoon Carl Alexander. `De nobis ipsis silemus', schrijft Schmitt op een gegeven moment – over onszelf zwijgen wij. Zelfs wanneer in 1943 zijn Berlijnse woning wordt gebombardeerd, beperkt hij zich tot een citaat van Bloy (`tout ce qui arrive est adorable') en van Hölderlin (`So treiben uns lächelnd hinaus die Götter'). Even typerend voor de onthechte – met mythologie en metafysica gekleurde – sfeer is Jüngers commentaar, als hij in 1942 op inspectiereis moet naar de Kaukasus: `Ik zal dus Prometheus een bezoek brengen, die als machtigste der Titanen in dit goden-interregnum nieuwe kracht verzamelt'. In zijn reactie vraagt Schmitt niet wat Jünger aan het oostfront heeft gezien, maar wat Prometheus hem heeft gezegd, waarna een passage volgt over het moderne nihilisme dat volgens Schmitt neerkomt op: `verbranding door het vuur'.

In zo'n even discrete als hooggestemde context komt de `Verstimmung' van 1949 als een donderslag bij heldere hemel, hoewel we natuurlijk niet weten wat er buiten de briefwisseling om is besproken, tijdens het ledigen van al die flessen wijn. Nadien lijken de betrekkingen weer te zijn hersteld en wordt de toon opnieuw hartelijk. Voor het eerst komt dan ook de aanhef `Lieber Ernst Jünger' en `Lieber Carl Schmitt', terwijl zij voordien steeds'Lieber Herr' en `Lieber Herr Staatsrat' plachten te schrijven. Jünger veroorlooft zich zelfs een grapje over Schmitts klacht ieders zondebok te zijn geworden: `Zondebokken zijn toch goed. Ieder zijn zondebok! Wij mogen ons prijzen zeer bruikbare zondebokken te zijn'.

Niettemin is er na de dood van Jüngers vrouw Gretha in 1960 een onverklaarde leemte in de correspondentie van acht jaar. Misschien waren de verhoudingen toch meer veranderd dan in de voorgaande brieven tot uiting komt. Het verschil tussen beiden is ook wel erg groot geworden. Schmitt leeft, van zijn leerstoel beroofd, teruggetrokken in Plettenberg dat hij, naar Machiavelli's ballingsoord, ook wel San Casciano noemt en publiceert weinig; Jünger daarentegen wordt een steeds productiever auteur, in Frankrijk (waar men hem altijd heeft gewaardeerd) maar ook in de Bondsrepubliek overladen met literaire prijzen en onderscheidingen.

Nadat hij in 1968 de correspondentie heeft hervat, met een gelukwens bij Schmitts tachtigste verjaardag, worden er nog tot 1983 brieven uitgewisseld, maar het vroegere animo is eruit verdwenen. Schmitt voelt zich te oud en te moe om te schrijven, terwijl Jünger in 1982, op zijn zevenentachtigste, schrijft nog altijd niet `l'esprit de mon âge' te bezitten.

Spectaculair valt de correspondentie dus niet te noemen, maar de moeite waard is zij natuurlijk wel, vanwege het kijkje achter de schermen van deze vriendschap tussen twee van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Duitse `Conservatieve Revolutie'. Dat er zo weinig te zien blijkt, is tenslotte óók onthullend. Daarom is het jammer dat Jan Ipema voor zijn Jünger-biografie van de Briefwechsel tussen Schmitt en Jünger geen gebruik heeft kunnen maken. In het nu verschenen tweede deel, dat de jaren 1933-1998 bestrijkt, speelt de relatie met Schmitt amper een rol van betekenis.

Nihilisme

Bij Ipema vind je wèl, althans wat Jünger betreft, de biografische achtergrond waartegen de briefwisseling met Schmitt heeft plaatsgevonden. Uitvoerig gaat hij in op Jüngers `innere Emigration' tijdens het Derde Rijk, op diens verblijf als Wehrmacht-officier in Parijs (waar Schmitt hem een paar keer kwam opzoeken), op diens gedistantieerde betrokkenheid bij de aanslag op Hitler van 20 juli 1944 en op de lange jaren, onderbroken door talloze reizen, in het landelijke Wilflingen, waar Jünger in 1998 op 102-jarige leeftijd is overleden.

Meer nog dan in het eerste deel In dienst van Leviathan legt Ipema de nadruk op het werk, met als gevolg verhelderende uiteenzettingen over Jüngers bekendste roman Auf den Marmorklippen uit 1939 (waarvan de Nederlandse vertaling opnieuw werd uitgegeven met een nawoord van Ipema), over zijn oorlogsdagboek Strahlungen, over zijn debat met Heidegger inzake het nihilisme, over zijn Rivarol-vertaling en over An der Zeitmauer (1959), waarin Ipema alleen iets te veel een `afscheid' wil zien van Jüngers hoofdwerk Der Arbeiter uit 1932.

In de epiloog nuanceert Ipema dit oordeel, door te stellen dat het bedoelde afscheid geen `loochening' en geen `terugname' inhoudt. Jünger is zichzelf `trouw' gebleven, schrijft Ipema. Terecht, want het is niet zo dat de `Gestalt' van de arbeider in het latere werk ongeldig wordt verklaard. Integendeel, zoals Jünger in het voorwoord bij de onveranderde herdruk van Der Arbeiter uit 1963 beklemtoont. Voor zover je van een `afscheid' kunt spreken, zit het hierin, dat na 1945 in Jüngers werk ook andere `gestalten' opduiken (de `woudloper' en de `anarch') die een individualistisch verweer belichamen tegen het totalitaire collectivisme van de nog immer oprukkende `arbeiderswereld'.

Ipema verzekert ons opnieuw geen `hagiografie' te hebben willen schrijven, en dat is zijn boek ook niet geworden, getuige de zeer kritische bespreking van sommige essays en romans. Toch domineert het hele boek door de fascinatie voor deze raadselachtige auteur, wat niet zo verwonderlijk is als je Jüngers levensloop overziet, van geestdriftig vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog tot honderdjarige éminence grise in Wilflingen. De hele Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw weerspiegelt zich in het leven van deze soldaat en schrijver, met een des te verbazingwekkender innerlijke rust als eindstation.

Iets van die rust valt te herkennen in het eindoordeel dat Jünger op 20 september 1994 in zijn dagboek noteert, na Schmitts Glossarium te hebben gelezen: `Zijn geestelijke en zijn persoonlijke uitstraling waren voor mij bezielend – hij blijft in mijn herinnering een goede en ondoorgrondelijke vriend'. Of Schmitt, bij nader inzien, van Jünger hetzelfde heeft gevonden, is een vraag waarop het antwoord open moet blijven.

Ernst Jünger/Carl Schmitt: Briefwechsel, 1930-1983. Herausgegeben, kommentiert und mit einem Nachwort von Helmuth Kiesel. Klett-Cotta, 893 blz. ƒ89,70

Jan Ipema: Tegen de stroom.

Ernst Jünger – tijd en werk 1933-1998.

Aspekt, 274 blz. ƒ44,90

Ernst Jünger:

Op de marmorklippen.

Vertaald door Tinke Davids en van een nawoord voorzien door Jan Ipema. Aspekt, 124 blz. ƒ29,90