De vredige draak

Voor de tweede maal in zijn leven voer Rudy Kousbroek over de paradijselijke Japanse Binnenzee. Deze keer was hij klaarwakker.

Het paradijs op aarde heeft voor mij altijd de gedaante gehad van een diepblauw water, rimpelend in de zon, bezaaid met groene eilandjes en omgeven door hoge bergen – dat beeld werd voor eens en voor altijd in mijn hoofd geplant door mijn jeugd in Nederlands-Indië.

Al het benodigde, de lege vorm om zo te zeggen, was dus in mijn bewustzijn aanwezig om als dat zo uitkwam nog eens voor een overweldigende belevenis te zorgen. Het lag in hinderlaag tot deze zomer; wat zou het worden? Het werd de Binnenzee van Japan.

Ik was er niet op voorbereid: mijn geboorteland had ik teruggezien, zelfs meer dan eens, en in Italië had ik kusten en meren aanschouwd die zich met de herinnerde konden meten. Maar de Japanse Binnenzee was anders – niet alleen door de kwaliteit van de gebruikte middelen, maar ook door hun hoeveelheid. Ik denk daarbij aan die groene eilanden in hun ringen van wit strand, lieflijk en uitnodigend – ook wel aan de rotsachtige, met maar één enkele boom, of een struikje, rossig of zwart – je vaart er tussendoor over het blinkende water en steeds komen er nieuwe, en daarachter weer nieuwe: een slaapzaal vol waternimfen, half ondergedompeld, zover het oog reikt. Een loom verlangen maakt zich van je meester – o, met die eilandjes om je heen in slaap vallen, dicht tegen je aan in het donker, gewiegd door de golfslag.

Het merkwaardige is dat dat in het verleden al eens is gebeurd; ik ben al een keer eerder door die Binnenzee gevaren, maar slapend. Dat was in 1972: in dat jaar had ik eindelijk kunnen verwezenlijken waar ik al zo lang over had gedroomd: het nareizen van de Hofreis. Dat was de reis, dwars door Japan, die de Hollanders eeuwenlang ieder jaar maakten toen Nederland nog het enige Westerse land was dat contact met Japan onderhield.

Deze Hofreis begon in Nagasaki, waar zich de Nederlandse handelspost Deshima bevond, en ging vandaar noordwaarts door het eiland Kyushu tot aan de havenstad Shimonoseki. Daar lagen Japanse vaartuigen gereed, versierd met grote Nederlandse vlaggen en het VOC-embleem, en daarmee voeren onze voorvaderen door de Binnenzee; dat duurde ongeveer een week. Via Osaka en Kyoto trok het gezelschap vervolgens door Honshu tot aan de miljoenenstad Edo, het tegenwoordige Tokio. Dat is eeuwenlang zo gegaan en er waren vaste Hollandse woorden voor: het traject door Kyushu werd de Korte Landweg genoemd, de tocht door de Binnenzee was de Waterreis, en de laatste etappe heette de Grote Landweg. De beide landreizen heb ik in 1972 afgelegd met een auto, maar voor de Waterreis scheepte ik mij in op een grote ferry die in één nacht door de Binnenzee stoof, zodat deze weinig bekende zeeboezem met al zijn intimiteiten en oudheden toen voor mij verborgen is gebleven.

Onvergetelijk

Maar zie, dit jaar deed zich, in verband met de naderende herdenkingen van 400 Jaar Nederland-Japan, de onverwachte gelegenheid voor om de Hofreis voor de tweede keer te doen – en nu met inbegrip van de Waterreis, dagenlang in een boot over de Binnenzee, klaarwakker ditmaal, samen met de cineast Hans Keller en een filmploeg. Het is een van de onvergetelijke reizen van mijn leven geworden.

Dat is het kennelijk ook geweest voor de andere Nederlanders die in voorbije eeuwen het geluk hebben gehad dit betoverde paradijs met eigen ogen te zien. De meeste Hofreisjournaals zijn nogal dorre ambtelijke verslagen van de gebeurtenissen onderweg, maar wanneer een enkele keer iets blijkt van emotie over het natuurschoon, dan is dat meestal naar aanleiding van de Binnenzee.

Zo schreef het Opperhoofd van Deshima, Germain Félix Meijlan, op de 108ste dag van de Hofreis van 1830, in een plotselinge opwelling dat – afgezien van de ongemakken aan boord – deze zeereize een der aangenaamste zou zijn die men zou kunnen wenschen te doen, voornamelijk in dit getijde van het jaar. Onder een gestadig lieflijk weder en over eene zacht kabbelende zee, zeilden wij van de eene kluister eilanden in de andere, gedeeltelijk bewoond, gedeeltelijk onbewoond, terwijl het hoog bergachtig land, van het eiland groot Nipon [=Honshu] aan de eene en van het eiland Siekopf [=Shikoku] aan de andere zijde de afwisseling der schoone gezigten, welke allerwegen hier worden aangetroffen, nog meer gaande houdt. Met welgevallen rust het oog op de schakeringen van kleuren van het helderste groen tot het levendigste geel, waarmede hier en daar de met granen bewassen aanhoogten der bergen prijken (...) om elders heen zich te wenden waar hetzelve niets dan de wilde natuur aantreft, of om met verwondering te staren op een geheel op zich zelf staanden en uit zee opreizenden rots, naauwlijks met enig mos bewassen. Deze contrasten die telkens met verscheidenheid zich afwisselen, leveren bij menigte zulke schilderachtige tafereelen op, dat geen pen, althans niet de mijne, in staat is dezelve te beschrijven.

De herkenbaarheid van zo'n beschrijving van bijna tweehonderd jaar geleden is niet alleen frappant – grote delen van de Binnenzee zien er nog precies zo uit – maar maakt ook nieuwsgierig naar degene die het zag en opschreef. Wat ging er om in de Nederlanders die het voorrecht hadden dit hermetisch van de wereld afgesloten land met eigen ogen te zien? Wat waren de offers die zij daarvoor moesten brengen, met wat voor obstakels en moeilijkheden kregen zij te maken? Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de passage, voorafgaand aan de hier geciteerde, waarin Meijlan het heeft over de ongemakkelijke inrichting van de Japanse hofreisbark en het `groot getal passagiers'.

Ook uit andere journaals blijkt dat deze betrekkelijk kleine barken (in het kader van de Afsluiting had het Shogunaat de bouw van grotere schepen verboden) altijd veel te veel mensen aan boord hadden. Het is, vanuit onze eeuw, bijna onmogelijk zich het leven aan boord in detail voor te stellen – hoe aten ze, hoe sliepen ze, hoe deden ze hun behoefte? hoeveel ruimte, hoeveel frisse lucht hadden ze? – maar vooral bij slecht weer zal het geen pretje zijn geweest. Tijdens de Hofreis van 1858 beschrijft Opperhoofd D. de Graef van Polsbroek hoe er in de nacht van 29 maart een storm opsteekt: Om 2 uur 's nachts had de Kapitein der bark de liefhebberij om onder zeil te gaan. Even later werden we door een storm overvallen. De zeeën sloegen over boord of beukten onze bark met donderende slagen. Ik was bepaald bevreesd dat er niets van ons terecht zou komen. Wat hadden we moeten doen als de bark lek was geslagen? Er waren 50 man aan boord en er was geen enkele sloep.

Tyfoon

Ook tijdens onze Waterreis van deze zomer werd onverwacht een tyfoon aangekondigd. De Japanse bemanningsleden van onze boot hulden zich onmiddellijk met evidente satisfactie in tot onder de neus dichtgeknoopte waterdichte stormkleding, die opvallend aan een middeleeuws Japans harnas deed denken (ook zij speelden in een toneelstuk, dat was duidelijk); de kapitein waarschuwde dat alles wat los lag opgeborgen en vastgesjord moest worden, `want er kunnen golven van meer dan tien meter hoog worden verwacht`. Ik moest denken aan de beroemde houtsnede `De grote golf van Kanagawa' van Hokusai (in de serie 36 aanblikken van de berg Fuji, 1825) en stelde mij voor hoe de kranten het bericht van onze schipbreuk zouden brengen (`Leidse schrijver en Gooise cineast vermist', of, nog beter:`omgekomen in de huizenhoge golven'). Maar zover kwam het niet. De tyfoon raasde ten zuiden van ons voorbij.

Hoe gevaarlijk is zoiets? Het was tamelijk alarmerend om te zien hoe ook op de pleisterplaatsen aan wal alles werd vastgespijkerd en vastgesjord; de toen aangekondigde tyfoon heeft, zij het na onze passage, ook inderdaad zware schade aangericht, onder andere aan de grote over het water gebouwde tempel van Miyajima, waar wij nog maar kort tevoren de hertjes hadden geaaid die daar vrij rondlopen. Maar in het algemeen is de Binnenzee bij de Japanse zeevaarders juist geliefd omdat het er zo beschut en rustig is. De werkelijke gevaren van de Binnenzee, dat zijn de onstuimige getijdestromingen in de nauwe passages tussen de eilanden; de meeste Hofreisjournaals maken er melding van en ook wijzelf hebben vlak naast ons schip een paar indrukwekkende draaikolken gezien. De bekendste, bij Naruto, zijn volgens Murray's Japan (uit 1912: een bron van fascinerende informatie die in recentere handboeken niet meer voorkomt), wel 10 voet diep en 6 voet breed. In dit boek wordt ook melding gemaakt van een groot stoomschip dat in een van de nauwe passages door de maalstroom achterstevoren werd gedraaid en teruggedreven als een kind dat de klas uit wordt gestuurd.

De Japanse Binnenzee is ongeveer zo groot als Timor; het is het middenstuk dat uit al die eilanden bestaat – duizenden, of `ontelbaar' volgens de Japanners. Het vreemde is dat de Japanners zelf niet zoveel belangstelling hebben voor hun Binnenzee. Deze was oorspronkelijk ook naamloos, de aanduiding Seto Naikai (= nauwe zeestraten-binnenzee) is modern en in feite gebaseerd op het Engels (Inland Sea). In de klassieke Japanse literatuur zijn naar deze zee, die toch in de Japanse geschiedenis zo'n beetje dezelfde cultuurhistorische rol heeft gespeeld als bij ons de Middellandse Zee, ook maar weinig verwijzingen te vinden. Toch zijn er wel indicaties dat zij een eigen plaats heeft in het Japanse bewustzijn; zo is de befaamde Zen-tuin van wit zand met rotseilanden in de Ryoanji (`Tempel van de vredige draak', of `Drakenrust-tempel') in Kyoto, onmiskenbaar op de Binnenzee geïnspireerd; ik weet ook eigenlijk geen simpeler hulpmiddel om duidelijk te maken wat er nu zo mooi is aan de Binnenzee dan dat geharkte zand van de Ryoanji, licht als een zeeschelp, perfect van proportie, bijna een abstractie.

Een van die zeldzame literaire verwijzingen naar de Binnenzee is te vinden in de Manyoshu, een verzameling van 4.000 gedichten uit de 8ste eeuw. Het is een gedicht over een verslagen soldaat, schipbreukeling op een klein met riet bedekt eilandje, waar zojuist een gesneuvelde kameraad in zijn graf werd gelegd. De essentie van het gedicht is dat de vrouw van die begraven vriend niet eens weet dat haar man dood is; als ze nu hier was zou ze verse wilde kruiden voor hem verzamelen – en dan komt de onvergetelijke regel: `maar de kruiden op de heuvels van dit eiland, die zijn toch allang verwelkt?'

Naar dat eilandje, Shamijima, waar meer dan duizend jaar geleden dit gedicht werd geschreven, heb ik urenlang op allerlei kaarten gezocht. Het moest bestaan, want Donald Richie is er geweest en heeft er over geschreven. Richie is de (Amerikaanse) schrijver van een van de weinige boeken gewijd aan de Binnenzee, oorspronkelijk verschenen in 1971 *). Maar zijn aanduiding van de ligging van het eilandje is vaag en zelfs op de gedetailleerde zeekaarten die de kapitein van ons schip gebruikte was het nergens te vinden. Ten slotte was het Sarah Hart, ongeëvenaard in het herkennen van plaatsnamen in een zee van Chinese karakters, die dat minuscule Shamijima wist te identificeren; het stond op de oude kaart van 1:300.000 die ikzelf gebruikt heb in 1972.

Dat verklaarde ook meteen waarom dat eilandje op modernere kaarten niet voorkomt: het werd opgeslokt tijdens de bouw van de Seto Ohashi, de gigantische brug die nu Honshu dwars door de Binnenzee met Shikoku verbindt. Voor deze tweeverdiepingsbrug (boven auto's en onder treinen), waarvan de bouw in 1988 na 10 jaar gereed kwam en die 211 triljoen yen (ongeveer drie miljard gulden) heeft gekost, zijn in feite vijf eilandjes als springstenen gebruikt; Shamijima was er een van.

Daar, onder de fundamenten van die brug, ligt dus nog ergens dat twaalfhonderd jaar oude graf, zo bedacht ik toen we op vrijdag 17 september om twintig minuten voor drie onder die brug door voeren. Terwijl boven ons met donderend geraas twee treinen langs elkaar heen reden viel mij in dat ook twee van zulke tragische geschiedenissen elkaar hier passeerden: de andere niet 1200 maar 168 jaar geleden; en de dramatis personae in dit geval landgenoten, Hollanders.

Ik heb het over het Opperhoofd Jan Cock Blomhoff, die op Woensdag 13 Februarij 1822 in Shimonoseki aan zijn Waterreis begon. Hij was daar de gast van de burgemeester genaamd Ito Mokunochika, die van het vorige Opperhoofd Doeff de Nederlandse naam Hendrik van den Berg had gekregen.

Hier is nu wat Cock Blomhoff in zijn journaal schreef: Vierden de verjaardag van Mevrouw Blomhoff, waarbij ik de Opper- en onderbanjoosten en tolken met de hospes 's avonds te eeten vroeg, en allen vrolijk waren, en na den eten met een paar samsiespeelsters aan de binnekant vrolijk sackineerde **) en te 2 uur van een scheidde.

Wat Cock Blomhoff niet wist, net als de vrouw van die op dat riet-eilandje begraven soldaat, was dat zij elkaar nooit meer zouden zien: Mevrouw Blomhoff, wier verjaardag daar aan de Binnenzee gevierd werd, was op dat tijdstip al een jaar dood. Ach, niet alleen de kruiden, maar ook het riet is allang verwelkt. Waar is het graf van Titia Cock Blomhoff? Weet nog iemand dat? Ook over haar is veel te vertellen. Maar hier moet ik mijn relaas afbreken. De filmcamera is een tijdmachine, dat is bekend, maar nog nooit is dat zo tot mij doorgedrongen als daar op die Binnenzee van Japan, waar de voorbije eeuwen op een of andere manier nog niet zo lang geleden zijn. In april zal op de televisie meer te zien zijn van de ontdekkingen die wij deden in nu vergeten en ingeslapen haventjes aan de Binnenzee, waar in geen twee eeuwen meer Nederlanders waren geweest, zoals Mitarai, Tomo en Muro – al de dingen die twee-, drie- en bijna vierhonderd jaar geleden door de Hollanders zijn gezien en beschreven, van Nagasaki tot Edo, gefilmd vanuit de tijdmachine door Hans Keller.

*) Donald Richie, The Inland Sea, with photographs by Yoichi Midorikawa. Kodansha International 1971.

**) Door een merkwaardig toeval bestaat deze zin bijna uitsluitend uit woorden afkomstig uit het verjapanste Nederlands dat op Deshima was ontstaan: Een `samsiespeelster' was een jonge vrouw die het snaarinstrument de samisen bespeelde; `aan de binnekant' betekent onofficieel, en `sackineren', van sacki drinken, was een werkwoord dat feestvieren betekende. `Banjoosten' waren de Japanse ambtenaren die de Nederlanders begeleidden en met `hospes' werd de burgemeester aangeduid bij wie de Nederlanders logeerden.

`In de tijdmachine door Japan' zal voorjaar of zomer 2000 door de VPRO worden uitgezonden