De feministe en de sterke man

De Amerikaanse schrijfster Grace Paley schreef in één van haar korte verhalen: `Everyone, real or invented, deserves the open destiny of life.' Daarmee doelde ze vooral op de vrijheid van romanpersonages om zich te onttrekken aan het keurslijf van een plot. Onder het motto van Paley is de Ierse schrijfster Antonia Logue (1972) in haar debuutroman aan de haal gegaan met de levens van twee allesbehalve fictieve persoonlijkheden: bokser Jack Johnson, de eerste zwarte wereldkampioen zwaargewicht, en de modernistische dichteres Mina Loy. Shadow-Box, een fictieve briefwisseling tussen deze twee personen, geeft geen totaal andere invulling aan hun levens, maar speelt binnen het raamwerk van bekende feiten met wat had kunnen zijn.

Op het eerste gezicht lijkt de combinatie van de Engelse Loy en Texaanse Johnson, die elkaar mogelijkerwijs één keer hebben ontmoet, nogal vergezocht. Maar Logue heeft haar personages met zorg uitgekozen. Hun zeer verschillende achtergronden staan garant voor een breed romanperspectief en interessante contrasten. Daarnaast waren Loy en Johnson berucht, veroorzaakten ze schandalen en stonden ze midden in de gebeurtenissen van hun tijd, maar zewaren ook weer niet zo beroemd dat alle details van hun leven uitputtend bekend zijn. En tenslotte bestaat er een verrassende maar aanwijsbare connectie tussen deze twee onwaarschijnlijke correspondenten.

Die connectie was de Frans-Engels-Zwitserse dichter, bokser en dadaïst Arthur Cravan. Cravan, een legendarische kabaalschopper, rokkenjager, meestervervalser, avonturier en echte neef van Oscar Wilde, heeft in ieder geval één keer gebokst tegen Johnson, in Barcelona in 1916. Daarna vertrok hij naar New York, waar hij Mina Loy ontmoette. Het was een wederzijdse coup de foudre, die na een stormachtige verhouding van twee jaar leidde tot hun huwelijk. Een paar maanden na de bruiloft in Mexico testte Cravan een zelfgebouwde zeilboot uit op de zee voor de kust van Salina Cruz, om nooit meer terug te keren. Zijn lichaam en boot werden nooit gevonden, en Mina, die ontroostbaar en zwanger achterbleef, bleef decennia lang tevergeefs naar hem zoeken, steeds afreizend naar de vreemdste uithoeken wanneer hij weer eens ergens gesignaleerd zou zijn.

Tot zover de feiten van het verhaal. De fictie in Shadow-Box begint met een bundeltje brieven uit 1946, de correspondentie tussen Mina Loy en Jack Johnson, die aan het licht komt jaren nadat beiden zijn overleden. Johnson, de voormalige boezemvriend van Cravan, had Mina ontmoet in Mexico op haar bruiloft, maar had daarna elk contact met haar verloren. Door een toevallig berichtje in de krant komt hij haar in 1946 weer op het spoor, en schrijft haar om, zo zegt hij, herinneringen op te halen aan oude, gelukkiger tijden. Halverwege het boek blijkt dat er nog andere factoren in het spel zijn.

Jack en Mina, blij met hun hernieuwde contact, beginnen enthousiast verhalen en levensgeschiedenissen uit te wisselen. Mina vertelt over haar verstikkende eerste huwelijk met upper class leeghoofd Stephen Haweis, haar tijd in Parijs en Florence waar ze zich in de avant-garde beweging stortte, de chaotische dynamiek van het Futurisme en haar liaison scandaleuse met Marinetti. Haar eerste feministische gedichten veroorzaken zo mogelijk een nog groter schandaal. Ze vertrekt naar New York waar ze in de kring kunstenaars rond Walter Arensberg terechtkomt, bevriend raakt met William Carlos Williams en Marcel Duchamp, en uiteindelijk Cravan ontmoet.

Hoewel Logue in Mina's woorden de intellectuele en artistieke opwinding van de tijden goed weet te treffen – we zien bijvoorbeeld Duchamp zijn urinoir uitzoeken – verbleken haar brieven toch bij het verhaal dat Jack Johnson te vertellen heeft. Nadat die in 1908 als eerste zwarte man de wereldtitel zwaargewicht behaalt, staat Amerika op z'n kop. Alom klinkt de roep om een `Great White Hope' die de eer van de bokssport zal herstellen door die nigger eens een lesje te leren. Alleen is er niemand goed genoeg om het tegen Johnson op te nemen. Hij verslaat de ene na de andere middelmatige blanke uitdager, met als hoogtepunt het gevecht tegen Jim Jeffries op 4 juli 1910. Na deze ultieme blanke nederlaag op de nationale feestdag breken er in het hele land rellen uit. Johnson wordt beschouwd als een gevaarlijke opruier die ook nog eens schaamteloos zijn geld laat rollen, drinkt, gokt, van snelle auto's houdt en – een doodzonde – van blanke vrouwen. Uiteindelijk wordt hij op een onzinnige gefabriceerde aanklacht (het in zijn auto vervoeren van vrouwen) veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, vlucht hij naar Europa en raakt zijn titel kwijt na een nepdeal met de FBI.

Logue's beschrijvingen van de bokswedstrijden zijn ongehoord levendig en eigenlijk veel interessanter dan het raadsel van Cravan, de schaduw waar Johnson en Loy in hun brieven steeds omheen draaien. En hoewel Shadow-Box gretig gebruik maakt van bepaalde standaardeigenschappen van brieven, die in fictie immers de neiging hebben om opeens in bundeltjes op te duiken, liefst met een vreemd document ertussen, en pas jaren te laat bij de juiste personen belanden, is die briefvorm tegelijkertijd het zwakke punt van de roman. Want hoe geslaagd deze afzonderlijke stukken van soms wel 45 pagina's ook zijn als memoires, in twee duidelijk onderscheiden stemmen die bovendien een fascinerend tijdbeeld oproepen, als brieven zijn ze volstrekt ongeloofwaardig.

Antonia Logue: Shadow-Box. Bloomsbury, 308 blz. ƒ48,95 (pbk), ƒ62,95 (geb.)