De chaos-rok en de plastic zak

Beeldend kunstenaar Jeroen Teunissen en modeontwerpster Melanie Rozema maken kleren die eruitzien als kunst, maar die wel degelijk gedragen moeten worden.

Een van de kledingstukken van Rozema & Teunissen staat op een paspop in een zaal van het Centraal Museum in Utrecht. Het is een fel oranje rok met lange baleinen die omhoog steken als bij een door de wind opengeklapte paraplu. Het is een van de uitzinnigste ontwerpen op een tentoonstelling waarbij Nederlandse mode en design met hedendaagse schilderkunst zijn gecombineerd, stijfjes nog, en je zou de schilderijen beter licht toewensen, maar de grens tussen kunst en toegepaste kunst is wel afgeplat. Dat werd tijd, want tot nu toe zijn de musea, het Groninger Museum uitgezonderd, blind geweest voor een ontwikkeling die het beeld van kunst radicaal zal veranderen: de spontane vermenging van beeldende en toegepaste kunst. Steeds meer kunstenaars passen hun kunst toe in videoclips en websites, reclamefoto's en documentaires, meubels en behang. Het brengt de kunst dichter bij het sociale leven, net als in de revolutionaire jaren aan het begin van de eeuw. Maar dan anders.

Jeroen Teunissen (1974) was beeldend kunstenaar voordat hij een paar jaar geleden samen met zijn vriendin Melanie Rozema (1971) het modebureau Rozema & Teunissen startte. Ze kenden elkaar van de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem, waar hij de opleiding `vrije kunst' volgde, en zij `mode en vormgeving'. Dit najaar hadden ze hun eerste eigen show in Parijs, die meteen internationaal de aandacht trok en behalve publiciteit en een tweede show in het voorjaar ook een bezoek aan Japan opleverde en de uitnodiging deel te nemen aan een multimedia kunstproject in Centre Pompidou.

Ik spreek hen in hun atelier in Arnhem, te midden van rekken met kleren, foto's en paspoppen. Waarom koos hij uiteindelijk voor mode?

Teunissen: ,,Ik zag bij Melanie dat mode voor mij dezelfde creatieve mogelijkheden bood als de vrije kunst en bovendien in het dagelijks leven toegepast kon worden. Het trok me aan dat alles wat je maakt bestaansrecht krijgt doordat mensen het gaan dragen en onderdeel van hun leven maken. Dat maakt het werk echter, nabijer. Bij de beeldende kunst voelde ik altijd afstand.''

Rozema: ,,Voor mij was juist de autonomie die uit de kunst van Jeroen sprak inspirerend. Ik kon mijn draai niet vinden op de modeopleiding, was op zoek naar een bepaald soort grenzeloosheid waarbij je niet precies kunt zeggen wat iets nu eigenlijk is. Ik wilde kleding maken die heel filmisch overkomt, door de modellering of door de presentatie, kleding die grootser is dan kleding alleen.''

Teunissen: ,,We zochten ieder vanuit ons eigen medium hetzelfde, daarom was het makkelijk om te gaan samenwerken. We waren ook vaak met hetzelfde bezig zonder dat we dat van elkaar wisten, ieder in zijn eigen vertaling.''

Rozema: ,,Ik had bijvoorbeeld eens allemaal deeltjes stof op tafel liggen die ik zó aan elkaar zette dat ze een soort kristallen van stof vormden. Toen ik bij Jeroen op zijn atelier kwam zag ik dat hij bezig was met het idee van uiteenspattingen en versplintering en dat hij plaatjes met kristallen en fractals bestudeerde. Die gerichtheid hebben we nog steeds.''

Wat voor idee zit er achter de oranje rok in het Centraal Museum?

Teunissen: ,,We noemen het een Chaos-rok, hij komt voort uit ons doordenken op het idee van versplintering en chaos. Chaos, en daar hoort ook de dagelijkse rommeligheid bij, zien we niet als iets negatiefs, maar als iets fascinerends. Chaos is heel complex en bewegelijk en kent geen begin en geen einde. Die grenzeloosheid spreekt me aan, hij hoort bij mijn manier van kijken naar de dingen.''

Maar hoe vertaal je dat naar kleding?

Rozema: ,,Onze kleren zijn vaak heel complex doordat het een in het ander draait, en de voorkant bijvoorbeeld in de achterkant overloopt, net als bij een mooi, rond voorwerp. Je kunt zo'n kledingstuk van alle kanten bekijken, op een laboratoriumachtige manier, maar je kunt er ook gewoon mee op straat lopen. Die verbreding vinden wij mooi aan mode.''

Ik wijs op een lange gele jas of jurk op het rek. Hij is op verschillende plaatsen zo ingeknipt dat er overal lange, rafelige repen stof aan hangen. Daarmee knoop je hem dicht.

Er wordt, zeg ik, veel inzet van de drager verwacht.

Teunissen: ,,Er wordt je niets voorgeschreven. Iedereen kan naar persoonlijke voorkeur zo'n ding dragen. De tijd dat oppermachtige couturiers voorschreven hoe iedereen gekleed moest gaan, is voorbij. Waar wij naar streven is dat mensen hun eigen smaak en creativiteit ontplooien in de manier waarop ze met kleding omgaan.''

Waarom die rafels?

Rozema: ,,Ik heb een voorliefde voor dingen die kapot of niet af zijn. Ik hou niet van gepolijst. Er moet altijd iets niet kloppen.''

Waarom moet dat?

Teunissen: ,,Iets wat perfect is, is grijpbaar. De belofte van iets groots is dan al ingevuld. Het imperfecte is mysterieuzer, het wijkt af van het gangbare. Het imperfecte past bij onze persoonlijke positie in de wereld en bij onze collectie. Daarom verbaast het ons dat er ineens ruimte voor is in de modewereld, want dat is een industrie waarbij alles om geld draait. Daar komen we nu achter.''

Rozema: ,,Terwijl wij dachten dat het om de schoonheid van het creëren ging.''

Verbaasd over zoveel naïviteit vraag ik of Rozema niet geleerd heeft hoe het economische stelsel achter de modewereld in elkaar zit. Maar de Nederlandse modeopleiding blijkt wat dit betreft volmaakt overeen te stemmen met de Nederlandse beeldende kunstopleiding: men spreekt veel over het innerlijke scheppingsvuur en zwijgt diep over de grote, boze wolf buiten. Een driedaagse cursus over het opzetten van een onderneming binnen de landsgrenzen was Rozema's enige bagage.

Teunissen: ,,In Nederland hangt een ideaalbeeld rond het modeontwerpen, vooral na het succes van Victor & Rolf. Die hebben lang op de scheiding tussen kunst en mode gezeten waardoor ze op een heel andere manier met geld en strategie te maken hebben gekregen dan bijvoorbeeld de Belgische ontwerpers. In België zijn ze veel directer met geld en productie bezig, waardoor mensen van onze leeftijd nu al grote bedrijven hebben.''

Rozema: ,,Maar de modeafdeling in Arnhem levert wel goede ontwerpers af. De autonome visie wordt er flink gevoed.''

In de beeldende kunst zie je juist scepsis ontstaan rond het idee van het autonome kunstwerk. Het leven trekt nu meer dan het museum.

Teunissen: ,,Wij vinden beide mogelijkheden interessant. We maken kleren die heel extreem zijn én normaal draagbare kleding. We moeten die extreme dingen maken om onze eigen grenzen op te zoeken. Daar groei je door, zo specificeer je steeds meer wat je wilt. Maar we willen ook dat onze kleren gedragen worden en een sociale functie krijgen.''

Rozema: ,,Ik kan me zelfs voorstellen dat het op een gegeven moment een uitdaging wordt om voor iedereen te ontwerpen.'

Bedoel je daarmee dat je je ook op andere maten dan maat 36 zou willen richten? Dat zou ik pas echt revolutionair vinden. Bijna alle mode-ontwerpers zijn gefixeerd op het anorexia-model en de cultus van het jong zijn.

Rozema, die maat 40 heeft: ,,Misschien moet ik maar eens kleren gaan ontwerpen die ik ook zelf aan kan.''

Ik vraag wat ze hun meest geslaagde ontwerp vinden. Beiden wijzen op een foto met een jasje dat veel weg heeft van een elegante judojas, maar dan op verschillende plaatsen verknipt en weer aan elkaar genaaid.

Rozema: ,,Dit hoort bij de collectie die we dit najaar in Parijs hebben laten zien. We hebben daar dingen in verwerkt die mensen als waardeloos ervaren, zoals plastic tassen en vuilniszakken. Het patroon hiervan is een grote plastic tas die ingeknipt is, naar achteren gedraaid en weer vastgebonden. De vele scheurtjes hebben we gecultiveerd door ze allemaal te voeren. Zo krijg je allerlei betekenislagen.''

Teunissen: ,,We hadden helemaal geen geld toen we die collectie maakten. Misschien dat we daarom ineens oog kregen voor de zwervers op straat en hoe die allerlei afval om zich heen wikkelen. We hebben aan onze modellen in Parijs ook allerlei afval gebonden, zoals lege jerrycans en een stuk vlag.''

Een overlevingsmode voor de rijken.

Rozema: ,,Onze gedachte erachter was: afval kan rijkdom zijn.''

Teunissen: ,,Het onderstreepte ook dat zo'n show heel veel is en tegelijk helemaal niets. Al die moeite, al dat geld dat je in een show stopt, en binnen een kwartier is het voorbij. Dat vind ik er heel goed aan. Het betekent dat de waarde van dingen relatief wordt. Eigenlijk stop je je energie niet in de show, maar in jezelf, om jezelf constant alert te houden.''

Alles is illusie, maar de modewereld is wel de meest uitgekookte vorm ervan.

Rozema: ,,Illusie is mooi! We proberen rondom onze kleding steeds een filmisch soort realiteit op te roepen, een soort droomwereld waarbinnen de meest uiteenlopende dingen met elkaar kunnen worden verbonden.''

Teunissen: ,,Toen Melanie en ik vorig jaar voor het eerst belangrijke Parijse shows zagen, viel ons op dat de collecties zo waren opgebouwd dat een heel eigen sfeer ontstond, iets wat je in de bladen nooit te zien krijgt. Als het goed is straalt alles binnen een show die atmosfeer uit. De muziek, het licht, de locatie, de casting van de modellen, ieder aspect is erop gericht aan die sfeer bij te dragen. De kleren zijn daar maar een onderdeel van.''

Op modefoto's zie je van de kleding ook vaak maar een minuscuul deel.

Teunissen: ,,Op die manier kan kleding simpel blijven. De foto's kunnen heel extreem zijn en zelfs een sociale uitspraak doen, zoals bij de Benetton-reclame, maar het betreffende kledingstuk is maar een gewoon truitje of een spijkerbroek.''

Je denkt dat je heel wat koopt, maar je bent op een geraffineerde manier gemanipuleerd.

Rozema: ,,Ik vind dat helemaal niet negatief. Een lipstick van Het Kruitvat is misschien net zo goed als die van Chanel, maar ik zal toch die van Chanel kopen. De verpakking, het logo, de merknaam en de presentatie creëren samen een sfeer die je bevalt. En die koop je. Rouge imaginair: dat smeer je toch graag op je lippen?''

Het is allemaal context, een taal die je volledig ontgaat als je hem niet kent.

Teunissen: ,,Die taal vind je in allerlei dingen terug. In Japan hebben we van die steentuinen bezocht, met een bordje erbij met uitleg in het Engels. In eerste instantie zie je niets en je moet jezelf heel erg openstellen om te snappen hoe je ernaar moet kijken. Maar zodra je de waarde ervan ziet, spreidt zich een hele wereld voor je uit en komen er gevoelens los.''

Rozema: ,,We noemen dat `alles in alles zien'. Het betekent focussen op verschillende aspecten van iets en grenzeloos dóórassociëren. Dan ga je dingen op een andere manier zien en kunnen zich nieuwe mogelijkheden voordoen. Dat idee moet in onze kleren zitten. Misschien inspireren die dan mensen om hun eigen smaak en creativiteit heel vrij te gebruiken. Oók als ze zonder context in de winkel hangen.''

Teunissen: ,,Ieder kledingstuk straalt die mentaliteit uit en is daar in zekere zin de verpakking van. Die mentaliteit is het product.''

Er wordt, zeg ik, veel inzet van de drager verwacht

In de modewereld draait alles om geld

daar komen we nu achter

Het zag eruit als vissenvoer.