Centraal Museum is `opgeleukt'

De verbouwing van het Utrechts Centraal Museum door het Belgische architectenduo Stéphane Beel en Lieven Achtergael heeft veel goeds opgeleverd. Niet alleen in architectonische zin maar ook wat de expositieruimte betreft, iets wat logisch lijkt maar lang niet van alle nieuwe museumbouw in Nederland gezegd kan worden. Beel en Achtergael hebben het amalgaam van gebouwen waar het museum uit bestond tot één geheel gemaakt, op zo'n manier dat er uit het donkere labyrinth van trappetjes, gangen en kabinetjes een daadwerkelijk museumparcours is ontstaan, mt op veel plaatsen daglicht.

Op de begane grond zijn de 16e en 17e eeuwse Utrechts schilders tentoongesteld. Hier zijn bijvoorbeeld de Keukenmeid en het fraaie zelfportet van Joachim Wtewael te zien. Het Centraal Museum bezit een mooie verzameling van deze Utrechtse `Caravaggisten', of `Meesters van het Licht' zoals ze onlangs op een grote overzichtsexpositie in de National Gallery in Londen werden genoemd. Tot niet zo lang geleden stond de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst in het teken van Rembrandt en Vermeer. De katholieke, op de Italiaanse kunst geënte Utrechtse School paste niet in het traditionele beeld van de Hollandse Gouden Eeuw. Maar de dramatisch belichte religieuze voorstellingen en portretten van Abraham Bloemaert, Hendrick Ter Brugghen, Gerard Honthorst en Joachim Wtewael kunnen zich meten met het beste wat de 17e eeuwse schilderkunst heeft voortgebracht.

De negentiende- en twintigste-eeuwse Nederlandse schilders zijn ondergebracht op de eerste verdieping. Ook al is dit geen sensationele collectie is, de werken van de vroege modernisten Theo van Doesburg en César Domela, en van Magisch Realisten als Pyke Koch en Carel Willink zijn op zorgvuldige wijze bij elkaar gebracht, zodat een beeld ontstaat van de gevarieerde en grillige manier waarop de moderne Nederlandse schilderkunst zich ontwikkeld heeft. Een hoogtepunt van de herinrichting van het Centraal Museum is de Rietveldvleugel aan de overkant van de straat, waar de volledige collectie van Rietveld (meubels, modellen, maquettes enzovoort) te zien is.

De liefdevolle aandacht voor de historische collecties staat in schril contrast met de wijze waarop de hedendaagse kunst wordt gepresenteerd. In de vroegere stallen is de kunst gecombineerd met mode en design. Lampen en kasten van jonge Nederlandse ontwerpers en in totaal 70 antieke en hedendaagse zijn uitgestald voor de schilderijen. De schilderijen hangen hoog aan de wand omdat de voorwerpen anders het zicht belemmeren, zodat ze niet goed gezien kunnen worden en dus functioneren als behang.

De bezoeker blijft in het ongewisse of er in deze opstelling sprake is van een of andere thematische of visuele samenhang. Misschien zijn twee jurken, een Japon uit 1770 en een Hofsleep uit 1810 een grappige verwijzing naar de jurken in het schilderij De bruiden van Dracula van Marlene Dumas? Allemaal erg geinig, maar met kunst en vormgeving heeft het niets te maken.

Kort geleden zei de directeur van het Centraal Museum, Sjarel Ex, in deze krant dat er volgens hem niet veel bijzonders te beleven valt in de hedendaagse kunst. Daarom vindt hij wellicht de kunst een beetje opgeleukt moet worden. Het grote Panomara-evenement van afgelopen zomer, waarbij kunstenaars door het museum werden uitgenodigd om `iets te doen' op de daken van de Utrechts binnenstad, past ook in dit beleid van opleuking. Voor de bezoekcijfers zijn dergelijke evenementen ideaal, maar goede kunst levert het niet op. Kennelijk wordt het steeds moeilijker de autonomie van de beeldend kunstenaar te respecteren. Ook elders (bijvoorbeeld in het Groninger Museum) wordt de kunst steeds vaker ingezet als franje van evenementen en projecten. Het is waar dat kunstenaars zelf, om wat voor redenen dan ook, in de laatste jaren bezig zijn de grenzen tussen het eigen gebied enerzijds en de architectuur en vormgeving anderzijds op te rekken. Maar het is een misverstand om te denken dat daarmee ook design en architectuur geheel los van de kwaliteiten ervan - automatisch beeldende kunst worden.

Een pijnlijk voorbeeld van waar de vermenging van vormgeving met beeldende kunst toe kan leiden is de projectruimte met `Utrechtse Stadsgezichten'. Deze stadsgezichten hangen in een knalblauwe ruimte, het idee was dat het blauw de schilderijen een ruimte en een horizon zou verschaffen. De schilderijen zijn om raadselachtige redenen neergezet op halfdoorgezaagde schildersezels die tegen de wand zijn geplakt, dus van zweven, zoals de bedoeling was, komt het niet. Het idee dat je een stadsgezicht een blauwe ruimte moet `verschaffen' is volkomen absurd. Het gevolg is dat de schilderijen, waaronder bijvoorbeeld een prachtige Saenredam, als postzegels verdwijnen in het niets. Even erg is het dat ze door het blauw knalroze lijken.

Het resultaat is dat deze kunstwerken, net als in de stallen, letterlijk niet te zien zijn. Voor de bezoeker is de enige conclusie dat ze kennelijk niet de moeite waard zijn om bekeken te worden.

Centraal Museum: de nieuwe inrichting. Nicolaaskerkhof 10, Utrecht. Geopend di zo 11-17 uur.