`Behaag niemand en schrijf wat je wilt'

V.S. Naipaul had het moeilijk als student in Oxford: het klimaat, de meisjes, zijn moeite met schrijven. Hij correspondeerde erover met zijn vader op Trinidad en zijn zus in India. Vader gaf hem cruciale literaire adviezen die stijl en karakter van Naipauls werk diep beïnvloedden. Totdat vader zelf óók een bundel verhalen bleek te hebben geschreven.

Alsof één enkel druppeltje literaire passie in het Caraïbische gebied neerkwam, en dan precies ten huize van de Naipauls; zo leest de briefwisseling tussen vader Seepersad en de nu wereldberoemde zoon Vidiadhar Surajpresad – `Vidia' voor intimi, `Vido' voor zijn moeder en zijn zusjes.

Laat ik eerst mijn stomme verbazing uiten over het loutere bestaan van een correspondentie tussen hindoestanen in West-Indië. In 1949 waren ze nog maar net één of twee generaties terug uit India verscheept als contract-arbeiders, zonder de bedoeling dat ze op de suikerplantages zouden leren lezen, laat staan dat ze elkaar brieven zouden schrijven, nota bene over de aard en het belang van de schrijfkunst. `Pa schrijft zulke schitterende brieven dat ik, als ik hem niet kende, zou denken: wat een fantastische vader om te hebben.' En vader schrijft: `Je brieven zijn charmant en spontaan. Als je mij regelmatig schrijft over dingen en mensen in Oxford, kan ik er later een boek van maken met als titel: Letters between a father and son.'

Dat was in 1950. En een halve eeuw later wordt het gepubliceerd, onder dezelfde titel. De prangende vraag is: waarom? De brieven gaan over literatuur, maar zijn ze daarom op zichzelf literair? Ik ben bang van niet. Het is waar dat we een uitzonderlijke kijk krijgen op de wording van Vidiadhar Surajpresad. Toen hij zeventien was, schreef hij dat hij geen tafelmanieren had en niet wist hoe hij in Engeland moest uitleggen dat hij rund- noch varkensvlees at. Hij vond zichzelf onaantrekkelijk en talentloos, hij was astmatisch, hij hield niet van de Europese seizoenen, hij moest leren dansen, zijn eenzaamheid overwinnen en te weten komen waar hij een bad kon nemen. Gedurende de acht jaar (tussen 1949 en 1957) dat we de correspondentie kunnen volgen overweegt V.S. Naipaul te gaan werken als radio-omroeper, als vertegenwoordiger van een luciferfabriek en als colporteur van encyclopedieën. Goddank is het anders gelopen, maar zijn die brieven daarom het publiceren waard?

Het antwoord daarop is, zonder enig voorbehoud, ja. Niet om het literaire gehalte van de brieven zelf, hoe erg vader en zoon ook hun best hebben gedaan, maar vooral om de openhartige, goudeerlijke en onverbloemde manier waarop de geschiedenis van een hindoestaanse familie in West-Indië langzaam te voorschijn komt. Geen geheim blijft bewaard, geen detail verhuld, iedereen en alles is met naam en toenaam genoemd en alle vuile was is ongegeneerd buiten gehangen. Dat is volstrekt uniek.

Ik moet toegeven dat ik lange tijd heb gedacht dat wat V.S. Naipaul steeds zei over zijn schrijverschap – hoe zwaar het hem viel, en hoezeer het schatplichtig was aan de stimulerende woorden van zijn vader – schromelijk overdreven was. Naipauls meesterwerk A House for Mr. Biswas was al een onomwonden eerbetoon aan hem, in essays en interviews noemde hij zijn vader de bezielende kracht achter zijn werk en ik dacht: man, zo is het wel genoeg.

Maar het blijkt niet overdreven. `Ik heb er geen enkele twijfel over dat je ooit een groot schrijver zult worden', schreef zijn vader toen zijn oudste zoon nog maar net aan zijn studie letterkunde in Oxford was begonnen. Of: `Denk aan wat D.H. Lawrence zei: kunst is er niet voor de kunst, maar voor de kunstenaar. Behaag dus niemand en schrijf wat je wilt.' `Bereid je erop voor dat veel uitgevers je werk eerst zullen afwijzen.' `Kruip volledig in de huid van je karakters, al zijn het rotzakken.' `Wees oprecht, dan pas krijg je een stijl, omdat je jezelf bent geweest.' `Probeer niet komischer te doen dan je bent. Ware literatuur komt uit de buik, niet uit de wang.'

Het gaat zo door, week na week en brief na brief. Als vader Naipaul stukken van zijn zoon te zien krijgt of verhalen van zijn hand hoort via de BBC-radio geeft hij ook concrete adviezen: `Gebruik het woordje ``en' iets vaker, dan voorkom je de telegramstijl.' `Maak notities van alle mensen die je spreekt. Je kunt ze gebruiken als bijfiguren in een grotere roman.'

Maar de literaire aanmoediging van vader Naipaul wordt een tikje obsessief, als blijkt dat hij niet meer let op de inhoud van de brieven van zijn zoon, maar uitsluitend op de stijl. Als de zoon na een zware depressie schrijft dat hij een brief uit die periode heeft verscheurd, antwoordt de vader doodgemoedereerd: `Zonde, het moet interessant materiaal zijn geweest, gezien de gemoedstoestand.'

Gelukkig gaat de correspondentie niet alleen over de schrijfkunst. Dat komt omdat de bezorger van dit boek, Gillon Aitken, die al twintig jaar vriend en literair agent is van V.S. Naipaul, ook de briefwisseling met diens twee jaar oudere zus Kamla heeft opgenomen. Zij verbleef in India, waar ze een onduidelijke opleiding aan een hindoe-universiteit volgde, en via haar komen we de smeuïge bijzonderheden te weten waar we op zitten te wachten. V.S. Naipauls ontboezeming bijvoorbeeld dat hij niet aan een vriendin kan komen omdat de meiden in Engeland zo groot zijn gebouwd. Of dat Duitse meisjes makkelijker te versieren zijn omdat ze een zwak hebben voor mystieke Indiërs. `Een Belgisch meisje met wie ik bijna iets had, verbrak de relatie, omdat ze mijn verhalen pornografisch vond.'

Voor de rest schrijft `Vido' Naipaul alleen bedelbrieven aan zijn zus in India: of ze hem sigaretten kan sturen, want die zijn zo duur in Engeland. Ook bij zijn ouders in Trinidad zeurt hij om sigaretten en als hij te horen krijgt dat het verboden is ze per post te verzenden zegt hij dreinerig: maar een vriend in Oxford ontvangt ze wèl. Ten einde raad stuurt zijn moeder hem enkele pakjes, verborgen in een zak suiker. Bij aankomst is de zak beschadigd en moet Naipaul zijn sigaretten uit de grote klont suiker peuteren.

Aan weerszijden van de oceaan vormt geld, of liever het gebrek eraan, de rode draad. Kamla stuurt achttien dollar naar huis om het schoolgeld van de jongsten te betalen en vraagt Vidia hetzelfde te doen. Maar Vidia's brilmontuur ging stuk, of hij moest nieuwe schoenen kopen, en de volgende maand moet de typemachine worden gerepareerd. Met Kerst stuurt vader hem vijf pond, waarop Vidia roept dat ze het op Trinidad harder nodig hebben, wat waar is: moeder wil zo graag een wasmachine, de ijskast is defect en de banden van de auto moeten worden vervangen.

Het is aandoenlijk hoe de dubbeltjes en stuivers van hand tot hand gaan. Maar terwijl de gemeenschappelijke geldzorgen de familie juist bij elkaar houden, wordt ze om andere redenen uit elkaar gedreven. Om te beginnen raakt Kamla verliefd op een christen. Een Indiër weliswaar, maar toch. Het veroorzaakt opschudding onder de Naipauls, die zich eerder schamper hadden uitgelaten over nichtjes van moeders kant die verhoudingen hadden met creolen en erger: met moslims! Uit de brieven wordt niet duidelijk of Vidia deze oordelen deelt, maar het feit dat hij er bezwaar tegen heeft dat zijn zusjes jeans en T-shirts dragen, spreekt boekdelen.

En dan lekt het uit: Vidia heeft een serieuze relatie met Patricia Hale. Met alle tact die hij kan opbrengen schrijft zijn vader dat het een onmogelijke relatie is. Niet omdat hij het niet begrijpt – zijn moeder is van haar kant trouwens faliekant tegen – maar omdat de hindoe-gemeenschap op Trinidad zo'n interraciaal huwelijk nu eenmaal nooit zal accepteren. Op 28 september 1952 schrijft V.S. Naipaul terug: `Beste pa, ik wil niet je hart breken, maar ik hoop nooit terug te keren naar Trinidad.'

Hiermee heeft V.S. Naipaul afscheid genomen van zijn afkomst, zijn geboorteland en, op een vreemde manier, van zijn vader. Want als reactie op alle aansporingen die hij van hem kreeg om een groot schrijver te worden, keerde Vidia jarenlang de complimenten om: `Jij bent zelf een groot schrijver', schrijft hij aan zijn vader, `Ik heb mensen stukken van je laten lezen en ze waren er dol op.'

En vader, de arme man, is het gaandeweg gaan geloven. In het begin zegt hij nog dat hij Vidia na zijn studie wil onderhouden opdat hij zijn roman kan schrijven. Dan begint hij erover te klagen dat het zo jammer is dat hij zelf niet de kans kreeg om zijn meesterwerk te produceren. Vervolgens stuurt hij Vidia een manuscript met korte verhalen, `The Adventures of Gurudeva', met het verzoek het gepubliceerd te krijgen. `Als het aantal verhalen niet voldoende is om een flink boek op te leveren, waarom doe je er niet een paar van je eigen verhalen bij? ``Door S. en V. Naipaul', dat is toch geweldig?'

Vidia geeft er geen antwoord op. Opnieuw schrijft zijn vader een brief met hetzelfde plan en weer blijft Vidia zwijgen. Op sentimentele momenten suggereert Vidia een volledige symbiose met zijn vader: `Weten jullie dat ik steeds meer op hem lijk? Ik zit zoals hij zit, ik loop zoals hij loopt, ik knoop zelfs mijn jasje zoals hij dat doet.'

Maar er komt een derde brief. `Zullen we niet samen een boek uitgeven? Kunnen we beiden de hoofdprijs binnenhalen.' Er komt nog een vierde brief, en een vijfde, totdat vader een hartaanval krijgt en in het ziekenhuis belandt.

Onmiddellijk krijgt Vidia een brief van Kamla waarin ronduit een verband wordt gelegd tussen vaders ziekte en het feit dat zijn verhalen niet zijn uitgegeven. `Je begrijpt dat publicatie van zijn verhalen voor hem een kwestie is van leven en dood. En dus van leven en dood voor de kleintjes thuis.'

Vidia blijft zwijgen. Hij negeert de chantage en ook als vader beter is en er weer over begint, geeft Vidia geen antwoord. Als troost uit hij de vage wens zijn vader naar Engeland te laten overkomen, waar hij voor hem zal zorgen, opdat vader zijn roman voltooit. Maar de troost is schraal en vader sterft, in oktober 1953.

Waarom bood Vidia het manuscript van zijn vader niet aan een uitgeverij? Waarom ging hij niet in op het voorstel een gezamenlijke publicatie van korte verhalen uit te brengen? Omdat Vidia iets wist wat zijn vader tijdens zijn leven niet te weten kwam: dat vader geen groot schrijver was. Hij was een inspirator, een bezieler, een uitmuntende leraar. Maar de leraar overtreft zelden zijn meest briljante leerling – en Vidia durfde het niet te zeggen.

Bijna een kwart eeuw later liet Vidiadhar Surajpresad het werk van zijn vader alsnog uitgeven. In het Nederlands kwamen De avonturen van Gurudeva drie jaar geleden uit, omdat V.S. Naipaul kennelijk had gehoopt genoeg goodwill bij zijn trouwe lezers te hebben opgebouwd om ook het werk van zijn vader tot een succes te maken. Het bleek een misverstand.

Gegeven zijn liefde en bewondering voor zijn vader zal het Vidia zwaar zijn gevallen en het zal hem geen verlichting bieden als we hem erop wijzen dat hij uiteindelijk part noch deel had aan het schrijverstalent van Seepersad Naipaul.

Letters between a Father and Son eindigt vier jaar na de dood van de vader, wanneer de zoon na talloze weigeringen door verschillende uitgeverijen zijn eerste boek gepubliceerd krijgt. De lezer krijgt hierdoor de indruk dat het hierom gaat: de wording van een groot schrijver.

Inderdaad publiceert V.S. Naipaul hierna nog tweeëntwintig succesvolle romans en reisverhalen. Hij krijgt alle mogelijke literaire onderscheidingen, hij wordt geridderd door de Britse koningin en gold de afgelopen jaren als een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur. Hij zal het schoolgeld van zijn zusjes hebben betaald en de wasmachine voor zijn moeder hebben gekocht. Maar hij kon er domweg niets aan doen dat het druppeltje literaire passie in het Caraïbische gebied niet terecht kwam bij zijn vader, maar bij hem. Er kon maar één van de twee een groot schrijver worden en de ander, zo zou je het literair kunnen bekijken, moest sterven. In die zin had Kamla gelijk toen ze schreef dat de publicatie van haar vaders werk een kwestie was van leven en dood. V.S. Naipaul heeft zijn vader vermoord. Om goede, literaire redenen, maar niettemin.

V.S. Naipaul: Letters Between a Father and Son. Ingeleid en geannoteerd door Gillon Aitken. Little, Brown and Company, 320 blz. ƒ59,95. De Nederlandse vertaling verschijnt eind volgend jaar bij uitgeverij Atlas.