Zorg afdwingen via een gerechtelijke procedure

Steeds meer verzekerden die op een lange wachtlijst staan, halen hun gelijk bij de rechter.

ACHT MAANDEN PROBEERDEN Peter en Henriëtte Strietman zorg aan huis te krijgen voor hun geestelijk gehandicapte zoon Harry. Telefoontjes met het zorgkantoor, verschillende zorginstanties, het ministerie van VWS en zelfs twee brieven aan de koningin – het mocht niet baten. Totdat de Strietmans naar de rechter stapten en hun gelijk haalden; sinds het begin van deze week krijgen zij extra ondersteuning. ,,Harry is elf jaar en wordt steeds groter en sterker'', verklaart Strietman zijn gang naar de rechter. ,,Hij is niet alleen gehandicapt, maar heeft ook epilepsie en autistische neigingen. Eigenlijk heeft hij constante zorg nodig.''

Een verhuizing van de provincie Groningen naar Friesland zorgde voor een ingewikkelde zorgconstructie. In Groningen kreeg het gezin thuishulp van twee vrouwen die Harry vanaf het begin begeleidden. De laatste twee maanden na de verhuizing kreeg het gezin enkel nog een paar uur huishoudelijke hulp en níet de noodzakelijke begeleiding van Harry. Strietman nam contact op met de Groningse advocaat Wijnberg.

Achteraf bezien noemt hij het ,,krankzinnig'' dat het zo moest lopen. Maar ,,wij wisten het ook niet meer, we waren aan het eind van ons Latijn''. Wijnberg sommeerde het Friese zorgkantoor binnen een week de intensieve ondersteuning te verstrekken waar het gezin recht op heeft. Nog geen week later kreeg de familie twintig uur begeleiding in de week, verdeeld over vijf dagen.

De advocaat heeft de laatste paar weken tien sommatiebrieven geschreven en in alle gevallen werd de zorg binnen de voorgestelde tijd verleend. Begin november won hij in Utrecht een rechtszaak voor vier vrouwen die op thuiszorg wachtten. De rechter stelde het zorgkantoor Anova verantwoordelijk voor het leveren van thuiszorg en binnen een week werd de zorg aangeboden. Toen eenmaal bleek dat zorg zich laat afdwingen door middel van een procedure, was het hek van de dam. Thuiszorg valt, net als de zorg voor ouderen, gehandicapten en psyschische patiënten, onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dus ook andere organisaties kunnen hun rechten claimen.

Vorig jaar verloor Wijnberg een rechtszaak die hij namens vijf vrouwen aanspande tegen de overheid. De staat is niet verantwoordelijk voor de wachtlijsten in de thuiszorg, bepaalde de rechter. Wijnberg ging in hoger beroep en hoopt dat de staat op 23 december alsnog aansprakelijk wordt gesteld.

De ANBO, de bond voor vijftig-plussers, heeft Wijnberg inmiddels ingeschakeld voor een collectieve procedure tegen de zorgverzekeraars namens ouderen die wachten op thuiszorg. De ANBO keert zich tegen het in Haagse kringen in zwang geraakte begrip `zorg verlenen binnen redelijke termijn'. Volgens Wijnberg bestaat er geen redelijke termijn voor mensen die ziek zijn. ,,Wachtlijsten zijn onaanvaardbaar in een land als Nederland, dat geld genoeg heeft. Een begrip als `redelijke termijn' duidt eigenlijk op bezuinigingen. Je kunt mensen toch niet op zorg laten wachten tot ze dood zijn of weer beter?''

Wanneer blijkt dat zorg in natura – door bijvoorbeeld een personeelstekort – niet geleverd kan worden, eist de ANBO een vergoeding voor de ouderen. Met een vast bedrag kunnen zij dan zelf iemand inschakelen die hen begeleidt of helpt in de huishouding.

Een andere belangenorganisatie die betrokken is bij een AWBZ-procedure is de Federatie van Ouderverenigingen. De FVO geeft steun aan een aantal ouders van geestelijk gehandicapten die een kort geding tegen de zorgverzekeraars willen aanspannen. Een advocaat maakt momenteel een selectie uit de tientallen ouders die zich hebben aangemeld om mee te werken. Sommige van hen wachten al zes tot twaalf jaar op plaatsing van hun kind in een instelling, terwijl deze plaatsing met de hoogste urgentie, binnen 24 uur, had moeten plaatsvinden.

De ouders richten zich in eerste instantie op de zorgkantoren, maar als de uitspraak op 23 december goed uitvalt, kunnen zij wellicht ook de overheid verantwoordelijk stellen.

Nu de zorgkantoren nog verantwoordelijk zijn voor de zorg die onder de AWBZ valt, zijn ze kwetsbaar voor rechterlijke procedures. Anova ging tevergeefs in hoger beroep tegen de uitspraak in Utrecht. Volgens de zorgverzekeraar creëer je voorrangszorg, wanneer wachtenden die naar de rechter stappen eerder hulp krijgen. Een klein aantal individuen en instanties dwingen zorg af, wat uiteindelijk ten koste gaat van andere urgente gevallen die op de wachtlijst staan. Voor zowel de rechter als Wijnberg is dit argument echter niet valide. Wijnberg vindt dat je het mensen niet kunt verwijten dat zij hun recht halen, wanneer de politiek zelf niet in actie komt. ,,Een rechtszaak breekt de politieke situatie juist open en stelt een voorbeeld. We hopen met de procedure niet een klein aantal mensen te helpen, maar in feite al die duizenden wachtenden.''

RECHTSZAKEN