Trou moet blijcken

Dis al

Dis die blond,

dis die blou:

dis die veld,

dis die lug:

en 'n voël draai bowe in eensame vlug –

dis al.

Dis 'n balling gekom

oor die oseaan,

dis 'n graf in die gras,

dis 'n vallende traan –

dis al.

Jan F.E. Celliers (1865-1940)

Dit is 'n gedichtje uit het begin van de twintigste eeuw dat iedereen in Zuid-Afrika sinds het verschijnen kent, of hij moest blind, achterlijk en doofstom zijn. Het werd zelfs meteen beroemd in Nederland en België. Een Belgische dichter uit de jaren '10 of '20 van wie ik de naam niet meer weet – een hele grootheid in zijn tijd – noemde het `een staaltje van zuivere klankexpressie' en `een krachtige opwelling van het heerlijkste volksgevoelen'. Je kunt ook overdrijven. Zeker is dat het onmiddellijk aansloeg. En dat het vooral aansloeg omdat het zo'n doodsimpel ding is.

Doodsimpele dingen kunnen, ik zeg het nog maar eens, bij nadere beschouwing heel geraffineerd in elkaar zitten. Niet omdat de dichter dat raffinement er bewust in construeerde, nee – juist omdat het argeloze, het spontane, de van alle beredenering en commentaar ontdane lyriek, zomaar geneuried of zomaar weggeworpen, onverwoestbare eigenschappen zijn van de poëzie. De dichter doet gewoon wat het gedicht wil.

De populariteit van Dis al doet sterk denken aan die van Goethe's

Ueber allen Gipfeln

Ist Ruh,

In allen Wipfeln

Spürest du

Kaum einen Hauch.

Die Vöglein schweigen im Walde

– wat er dan, zoals u weet, in de laatste twee regels mee eindigt dat de zanger zichzelf toeroept dat hij – Warte nur, warte nur! – ook zelve weldra zal rusten.

Dis al.

Simpeler kan het niet. Toch behoort het tot de familiejuwelen van de Duitse literatuur.

Er zijn een paar spannende overeenkomsten met het gedichtje van Celliers. Bij allebei die korte regels, bij allebei dat weidse natuurpanorama (Gifpeln, Wipfeln – veld, lug), bij allebei die vogel. Een vogel, bovendien, die bij beiden figureert in de langste regel, de regel die er voor het oog onverbiddelijk uitspringt. Ook wat de inhoudelijke sfeer betreft valt er een overeenkomst aan te wijzen: de berusting in Warte nur en Dis al. Maar vooral is de overeenkomst er in de combinatie van de zwijgende, haast onverschillige natuur met het dramatische lot van een pas in de laatste regel geïntroduceerd individu.

Dramatisch, zeker. De herhaalde uitroep Warte nur! en de vallende traan zijn daar duidelijk over. Het gaat om een emotioneel geladen berusting, zonder dat de dichter ook maar iets vertelt over de aanleiding of de omstandigheden. Juist omdat hij er zo wegwerperig en laconiek over doet wordt het individu in die terugdeinzende, onmededeelzame natuur een gestolde zuil van pijn.

Beide gedichtjes zijn wonderen van abstractie, ontdaan van alle lokale en actuele toespelingen. In het geval van Celliers telde de actualiteit wel degelijk mee bij de interpretatie. Het was de actualiteit van de Boerenoorlog. Een uit Engelse krijgsgevangenschap teruggekeerde Boer treft zijn ooit bloeiende hoeve vernield en verschroeid aan. Alleen het veld en de lucht zijn er nog, zinloos blond en zinloos blauw. Er bestaat een illustratie bij dit gedicht waarop we de boer, met de verwoeste hoeve op de achtergrond, biddend bij een graf zien staan terwijl hij van verdriet, zo lijkt het wel, een hap uit zijn hoed neemt.

Zo'n gedichtje kan populair worden door de actualiteit, het kan alleen populair blijven als de herkenning algemener is. De hele oorlog wordt in het gedicht van Celliers niet genoemd, laat staan de verwoeste hoeve. Hij gebruikt zo algemeen en ruim mogelijke woorden – balling, oceaan, alles. Het kan overal zijn, in alle eeuwen.

Het is uiteindelijk een gedicht over de volstrekte eenzaamheid, versterkt door die lange spilregel met die vogel, en over de de sterfelijkheid van de mens. Net als Goethe's gedichtje. Ze gaan allebei, met een minimum aan details, over boven en beneden.

Zulke gedichten – zo geabstraheerd, zo universeel en, godbetert, zo populair – schreeuwen erom geparodieerd te worden. Hoe meer een gedicht verzwijgt en aan de fantasie overlaat, hoe onbedaarlijker de vingers gaan jeuken om het in te vullen. De hele eeuw door zouden er in de Afrikaanse literatuur parodieën volgen op Dis al. Ik ken er een van Harper Martins –

'n Perd, met 'n stert sonder perd,

met 'n muggiekarwats om te wiks,

'n Skoen sonder oorleer met die sole al weg –

dis niks.

– en er is bij voorbeeld het Selfportret van de jonggestorven dichter E.A. Schlengemann, waar het Dis al aan het eind van het refrein slaat op het routineleven van de kantoorman. Sterker nog – elke keer als een Afrikaanse dichter Dis al zegt verwijst hij stilzwijgend naar Celliers. Zelfs het straatrijmpje over de kikker op de muur –

Die padda

sit

op die wal

en dit is

al

– doet er aan mee. Kan een dichter het verder schoppen?

Wat leert die jongen u waardoor u in uw eigen leven verder kan?