Transito Cognito

Deze week heb ik een driejarig voorzitterschap beëindigd van een commissie die projecten beoordeelt die de kennisuitwisseling tussen bedrijfsleven en beroepsonderwijs (met name MBO en Volwasseneneducatie, voor de insiders: de BVE-sector) moeten stimuleren. Dat programma (ingesteld door de ministeries van OCW en Economische Zaken) heette oorspronkelijk Transito Cognito. Niemand heeft me ooit kunnen uitleggen wat de precieze betekenis van dit potjeslatijn was, maar de suggestie ging inderdaad in de richting van kennisuitwisseling of -overdracht. Sinds begin dit jaar heet de regeling overigens gewoon KeBB: Subsidieregeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. Het leuke van de oude naam vond ik dat je hem kon zien als een waarschuwing dat alle kennis vergankelijk is. Dat is overigens een belangrijke overweging bij de regeling: juist omdat kennis zo snel veroudert, is het noodzakelijk dat er structureel contact is tussen bedrijfsleven en beroepsonderwijs om de opleidingen zo actueel en praktijkrelevant mogelijk te houden. Het leukst is als die kennisuitwisseling niet alleen gestalte krijgt via commissies of (interactieve) databases, maar via meer actieve vormen als docenten- en leerlingenstages, gemeenschappelijke projecten of het beschikbaar stellen van up-to-date apparatuur.

Per project wordt maximaal een half miljoen uitgekeerd, als daar vanuit de consortiumpartners (Regionale Opleidingscentra, landelijke organen voor het beroepsonderwijs, bedrijven, brancheorganisaties) minimaal eenzelfde bedrag tegenover gezet wordt. In het eerste jaar (1997), toen Transito nog als proefprogramma draaide, was dat maximumbedrag zelfs maar een ton en het tweede jaar, toen het echt ging lopen, drie ton. Het te verdelen budget is navenant vertienvoudigd van 1,1 miljoen gulden in 1997 tot 11 miljoen het afgelopen jaar.

Alle aanvragen worden twee keer per jaar beoordeeld op basis van criteria zoals innovativiteit, verstrekkendheid en de kwaliteit van het samenwerkingsverband, en vervolgens gerangschikt. De beste projecten die samen binnen het budget blijven, worden dan gehonoreerd. Meestal is de optelsom van de aangevraagde bedragen iets meer dan het dubbele van wat we kunnen verdelen, maar als de kwaliteit onvoldoende is, hoeven we niet alle geld op te maken. Eén keer dreigde dat te gebeuren en toen werd ons toch te verstaan gegeven dat de opdrachtgevende ministeries dit niet zouden appreciëren. Maar gemiddeld zouden we graag iets meer verdelen dan we kunnen. Bijna perfect dus.

Af en toe zijn er geruchten dat de overheid deze jonge regeling al weer wil beëindigen. Niet dat men er ontevreden over is, nee, maar het is nu eenmaal gemakkelijker alle ROC's (Regionale Opleidingscentra) gewoon wat meer geld te geven. Bovendien zou men zo ook kunnen besparen op de kosten die verbonden zijn met het besturen van de regeling. Ik zou dat jammer vinden en niet zozeer omdat ik de voorbije jaren zijdelings betrokken was bij de uitvoering ervan. Natuurlijk leidt `in het oog' altijd in zekere mate tot `in het hart'. Maar verder heb ik geen overdreven emoties bij deze sector en regeling. Natuurlijk is het mooi dat de soms wel erg onderbedeelde BVE-sector ook een graantje kan meepikken van de aandacht voor de kenniseconomie, maar dat zou bij het alternatief van de lump-sum-benadering wellicht ook het geval zijn.

Nee, het mooie aan de regeling is dat het ondernemerschap stimuleert en ondersteunt van mensen die hier echt wat willen. Bovendien leidt elke gulden van de overheid tot een gulden co-financiering. Tenslotte heb ik de voorbije jaren de kwaliteit van de ingediende voorstellen gaandeweg zien verbeteren. De begeleiding van de kandidaat-projectindieners door Senter, de overheidsorganisatie die meer van dergelijke subsidieregelingen uitvoert, draagt daar zeker toe bij. En met grotere bedragen kun je natuurlijk ook mooiere projecten opzetten. Maar ik ontwaarde toch ook een leerproces. Aanvankelijk dachten nog veel initiatiefnemers dat het opzetten van een database of een website op zichzelf al tot kennisuitwisseling met het bedrijfsleven en het bijstellen van de onderwijsprogramma's en leermiddelen zou leiden. Het voorbije jaar is op veel plaatsen de stap gezet naar het concreet samenwerken aan die programma's en leermiddelen. De volgende stap moet zijn dat veel meer aandacht aan de verspreiding ervan naar andere instellingen wordt besteed. Want tientallen, net iets andere wielen op verschillende plaatsen uitvinden lijkt me iets te veel van het goede.

Ook ik heb veel bijgeleerd, al is het maar een hoop afkortingen en begrippen die in bepaalde delen van de wereld blijkbaar doodgewoon zijn: gevulde draad, uniformberoepen, fieldbustechnologie, employability-adviseurs, resonansgroepen. Verder is me weer opgevallen dat relatief veel mensen in staat zijn heel professioneel uitziende projectvoorstellen op te stellen met gedetailleerde begrotingen, tot de laatste week van het project toe, maar dat het slechts weinigen is gegeven beknopt uit te leggen wat ze precies beogen. Ik kan daarom niet zeggen dat ik voortdurend het `wow-gevoel' kreeg bij wat zoal de revue passeerde. Maar wel ben ik weer onder de indruk gekomen van de creativiteit en inzet van de beste mensen in deze sector, die blijkbaar niet moe worden van de omvang van de vele uitdagingen waarvoor ze staan.

Kaum einen Hauch.