Overvloed en onbehagen

Eten buiten de deur is soms een hard gevecht. Voor je aan tafel kan, heb je hier al een veldslag achter de rug. `Nee, het weekeinde zitten we vol.'`Helaas, volgend weekend hebben we ook geen plaats.' `Misschien kunt u doordeweeks langskomen, anders wordt het volgend jaar.'

Wij reserveren voor een dinsdagavond en mogen ons gelukkig prijzen dat er nog één tafel vrij is. Waarom wilden we hier in hemelsnaam ook weer heen? Het is de renommee van de zaak en ook een beetje de locatie.

De Keuken van Waarde ligt prachtig weggestopt aan de lommerrijke rand van Wassenaar. De duinen liggen om de hoek en de renbaan Duindigt is vlakbij. In onze verbeelding hoorden we de commentaarstem van Hans Eijsvogel: daar gaan de paarden de eerste bocht in: Henri Buitenzorg ligt een neuslengte voor, Quicksilver `S' volgt verrassend, maar daar komt Marcel Hanover langs de buitenkant opzetten.

De bediening komt iets minder snel door de eerste bocht. De economie van het succes speelt de gastheer parten: zijn zaak is afgeladen vol en wij eters moeten genoegen nemen met oplopende wachttijden.

Het wachten op het voorgerecht loont. De Zeeuwse oesters: drie wilde en drie platte (ƒ33) hebben een zachte, zilte smaak. En het oog wordt ook bediend: met een kunstig geschilde citroen lijkt het bord met oesters zo weggehaald uit een zeventiende-eeuws stilleven.

Vanaf ons tafeltje hebben we ruim uitzicht op de keukenbrigade, die toegewijd de ongelijke slag met de grote cliëntenkring aangaat. Wachten is kijken en kijken is je verbazen tot onze blik valt op een pan van het formaat waarin vroeger in kinderboeken de wilden missionarissen kookten. Wij wachten nog op de soep en beschouwen het uitzicht plotseling als minder aangenaam.

De lichtgebonden kreeftensoep (ƒ23,50) wordt geserveerd met truffelroom: verrukkelijk, maar aan de zoute kant. Dineren is hier bijna proeven op de tast, want de zaak gaat niet gebaad in licht: alleen waxinelichtjes staan ons bij.

De bediening is ondanks de hoge werkdruk verzorgd en professioneel. De eerste fles Vacqueyras, een 1997 van J. Vidal Fleury (ƒ67), wordt onmiddellijk afgevoerd als de kurk het begeeft. De tweede poging wordt elegant en ook nog met een glimlach uitgevoerd.

In de keuken grijpt de kok naar een pak Appelsientje, terwijl wij ons tegoed doen aan de Vacqueyras. De volle rode wijn combineert uitstekend met de parelhoenfilet (ƒ43,50). Alleen voor de liefhebbers en struikelt u niet: we aten een filet gevuld met eendenlever met een saus van verjus en bouillon van parelhoen en dat ook nog eens geserveerd met ravioli gevuld met bospaddenstoelen. Maar hulde aan de kok: dit gerecht was `af'.

Tussen de gangen door kregen we zo onze twijfels: met de keuken is weinig mis; met de zaak van alles. Je zit hier niet alleen in het schemerdonker, je zit hier ook in een akelig lawaaiige omgeving. Wij voerden een enigszins moeizame conversatie omdat flarden van gesprekken aan andere tafeltjes zich hinderlijk aan ons opdrongen. De zaak is duidelijk te klein voor zoveel gasten.

Of we nog een nagerecht wilden? We aarzelden. Of we nog langer wilden wachten, was meteen ook de vraag. We bezweken voor vier soorten roomijs (ƒ15,50) en lieten een warm chocoladetaartje met een vloeibare kern en ook de chipolatabavarois aan ons voorbijgaan.

Bij ons vertrek zit de zaak nog altijd afgeladen. Eenmaal buiten zien we door de ruiten heen de keukenbrigade onverminderd zwoegen. Wassenaar ligt al in ruste en ook de renbaan Duindigt ligt er verlaten bij. En wij, wij keren met een licht gevoel van onbehagen huiswaarts.