Het smeulende brandoffer

Met het woord holocaust, dat brandoffer betekent, heb ik nooit goed overweg gekund. Ja, bij miljoenen verbrand; maar een offer veronderstelt een doel. Zo'n doel heb ik, als ongelovige, nooit kunnen ontwaren. Ik behoor tot degenen die dan maar een tweeledig minimum hebben aangenomen: dat de shoah de joodse staat legitimeerde en dat hij enkele decennia lang min of meer de boze god Discriminatie heeft bezworen.

De eerste naoorloogse fase, direct na de onbevattelijk moorddadige discriminatie door de nazi's, werd gekenmerkt door maatschappelijke ontkenning, zeker in Nederland. Je kunt zelfs zeggen dat men in de eeltige jaren van de wederopbouw verder ging dan ontkenning: de `receptie' van de overlevenden was niet zelden op het vijandige af (net als die van de repatrianten uit Indië). De overheid stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat categorale hulp voor de aan de Endlösung ontkomenen uit den boze was, omdat zulks op discriminatie zou neerkomen.

Daarna drong in brede lagen het besef van de enormiteit der gebeurtenissen door, en zo kwam toch nog wetgeving ten behoeve van oorlogsgetroffenen tot stand. Tegelijkertijd ontwikkelde zich een veel verder strekkende sensibiliteit voor discriminatie naar ras, etniciteit, geloof, seksuele geaardheid, enzovoort. Ook dit vond zijn neerslag in de wet. Het brandoffer werd `verhoord'. Het speelde ook een belangrijke rol in een relatief genereus (zij het chaotisch) asiel- of immigratiebeleid: grootmoedig zeker in vergelijking met de vooroorlogse houding tegenover de vluchtelingen voor het nazi-regime. Je zag zelfs dat in de EU globaal genomen die landen daarin het gulst waren, die in de oorlog de hoogste percentages joodse – of door de nazi's als joods aangemerkte – burgers aan vernietiging prijsgaven. Duitsland ging voorop en herbergt nu zes miljoen buitenlanders (opmerkelijk getal); Nederland nam ook velen op; de Britten, die deze boter niet op hun hoofd hadden, waren streng, et cetera.

Ontwikkelingen van deze orde schieten door. Discriminatie betekent oorspronkelijk: onderscheid maken – en er ontstond een taboe op onderscheid, op het onderkennen van groepsverschillen die er nu eenmaal zijn. Alle mensen behoren gelijk te zijn voor de wet, maar `alle mensen zijn gelijk' is, behalve een onzinnig, ook een schadelijk postulaat: het sluit gelijkwaardigheid uit, omdat geen verschillen meer worden erkend die aan elkaar gelijkwaardig zouden kunnen zijn. Juist in de multiculturele samenleving die dankzij de `reactieve' tolerantie kon ontstaan, moest dit zich wreken. De vraagstukken die zo'n samenleving oproept nopen tot probleemdenken, in plaats van tot leuzen, en dit betekent ontleden, onderscheid maken. Hoezeer dit werd belemmerd, ervoer ik zelf als huisarts in een achterstandsbuurt. Zo was het tot voor kort niet goed mogelijk om beleid te ontwikkelen ten aanzien van ziekten en problemen waarvan het op de werkvloer zonneklaar was dat deze meer de migranten troffen, omdat etnische groepen niet als zodanig gelabeld mochten worden. Het werd hoog tijd voor onderscheid in onderscheid: tegen discriminatie, maar vóór gericht onderzoek.

Enkele decennia was 9 november de herdenkingsdatum van de Kristallnacht, de eerste nazipogrom. Sinds tien jaar is 9 november echter de herdenkingsdatum van de val van de Berlijnse Muur – men schrijft niet langer naoorlogse tijd, maar na-naoorlogse tijd. In de jaren '90 heerst een andere tijdgeest. Het taboe op onderscheid heet nu smalend politieke correctheid (waarbij – nieuwe weeromstuit – politiek verantwoordelijkheidsgevoel mede opzijgeveegd dreigt te worden). In '94 werd het asielbeleid een verkiezingsthema. En nu hebben we oprispingen als die in Kollum en Elst.

Intussen is bij een deel van de Duitse intelligentsia de stemming omgeslagen, soms in de zin van vèrgaande verrechtsing. Dit jaar kreeg de schrijver Martin Walser in eigen land veel bijval voor zijn stellingname tegen de `herdenkingsdwang' van Auschwitz. Tegelijk werd hem dit, met name door de voorman van `de' joodse gemeenschap in Duitsland, hevig verweten. Dat langs elkaar heen praten was veelzeggend: de grote judeocide is voor degenen die er niet rechtstreeks door zijn geraakt meestal geen hoofdthema (meer), terwijl zij de overlevenden en hun nakomelingen blijft tekenen. De moorddadige ongelijkheid van toen zet zich voort in de ongelijke beleving van nu. Schijn van gemeenschappelijkheid wordt opgeheven.

Het brandoffer smeult nog; de nastraling ervan reikt ver (hulp aan Kosovo, Oost-Timor), maar dichterbij lijkt het aan werking in te boeten. De antihumanistische god krijgt weer trek. De hooggeleerde Ernst Nolte heeft het offer voor ongeldig verklaard, want de joden, impliceert hij, hadden het er zelf naar gemaakt (zie de bespreking van zijn laatste boek in deze krant van 5 november). Volgens een recente opiniepeiling is de helft van de Oostenrijkers het met hem eens. Dat zijn op z'n minst waarschuwingen. Demonen moeten zonder illusies bestreden worden.

Hun voedingsbodem moet schraal gehouden worden. Daarbij hoort een zakelijk immigratiebeleid, gescheiden van echte asielprocedures, en een on-naïeve aanpak van de problemen der multiculturaliteit, zonder overmatig cultuurrelativisme.

J.D. Querido is oud-huisarts.