Het mekkeren van de hemelgeit

Wie verlangt naar ruimte en verlatenheid weet de weg te vinden naar het hoge Noorden. Daar moet de wandelaar zich richten naar de luimen van de weergoden. Wandeling 21 in de serie wandelen in Europa: IJsland.

Nauwelijks hadden wij de met drijfhout bezaaide kust van Langanes in zicht, of een hectisch schouwspel trok onze aandacht: van alle kanten werd een giervalk bestookt door woedende sterntjes en scholeksters. Hoe hij zich ook wendde of keerde, hij wist zich lange tijd niet van zijn aanvallers te bevrijden. De broedende vogels waren er goed van doordrongen dat de valk, net als de raaf en de grote jager, uit de buurt van hun nesten gehouden moest worden. Boven zee lieten vissende jan-van-genten zich als raketten in het water vallen.

Langanes behoort tot de meest afgelegen gebieden van IJsland. Op de kaart steekt dit vijftig kilometer lange schiereiland als een eendenkop de zee in. De kust van steile kliffen en de dichte mistbanken die daar omheen hangen zijn van oudsher bij zeelui berucht. Niet voor niets stuit de wandelaar hier en daar op herdenkingstekens voor verdronken vissers. Zelfs de boeren hebben Langanes de rug toegekeerd; vervallen boerderijen zijn even karakteristiek voor het schiereiland als vogelrotsen en toendrabloemen.

Jaren geleden was ik voor het eerst op Langanes doorgedrongen. Achter de kust strekte zich een ruig landschap uit van meertjes, glooiende bergen en moerasland. Op de meren dreven wilde zwanen; op elke graspol toonde een goudplevier zijn fluweelzwarte borst. Door een jeepspoor te volgen kwam ik bij de witbescheten broedplaatsen van alken, zeekoeten en jan-van-genten. Het wit-bloeiende lepelblad bloeide daar uitbundig. Toen een wandelorganisatie mij later voorstelde een eigen reis (`IJsland door de ogen van Zwier') samen te stellen, nam ik Langanes in de route op. Inmiddels heb ik de streek vijf keer bezocht, zowel bij stralend mooi weer als bij storm en regen. En bij mist.

Meteen bij de eerste groepsreis was het raak. Aanvankelijk verliep alles naar wens. De botanici onder ons vonden IJslands mos, arctische parnassia en gletsjerranonkel. Op de toendra naar de zuidkust voerden elegante, donkere vogels schijnaanvallen op ons uit; de vogelaars kenden hun naam: kleine jagers. Daarna daalden de wolken naar het land af. Niemand schonk er aandacht aan, want de `kunst van het wandelen' is nu juist, volgens de filosoof Ton Lemaire, `om te verwijlen bij planten en dieren, om te genieten van de vergezichten die zich openen en zich opgenomen te voelen in de totaliteit van de wereld'.

In de toenemende mist bogen wij naar het noorden af, maar het vreemde was dat wij onderweg naar de kust nooit het spoor kruisten dat langs de hele noordkant liep. Het kon niet anders of wij hadden een wijde lus gemaakt, terug naar de zuidkant. Er volgde een vermoeiende tocht, met de bedoeling een zomerboerderij te bereiken. Helaas moesten we daarvoor een steile bergwand oversteken. Die beklimming vormde het dieptepunt van de dag. Bovenop de berg zagen we nog geen tien meter om ons heen. Gehuld in poncho's en zuidwesters doemden de deelnemers uit de nevelsluiers op – een haast surrealistisch gezicht.

,,Nou, dit is dus IJsland door de ogen van Zwier'', monkelde een oudere vrouw.

Wij daalden af, schuifelden over een handbreed paadje langs de kust en zagen wonder boven wonder opeens een boerderij uit de mist opdoemen. Wij werden er hartelijk met koffie en zelfgemaakte chocoladekoek ontvangen. De gastvrouw nam zelfs foto's van ons; in de toekomst zou ze op lange winteravonden haar verhaal over dolende wandelaars met beeldmateriaal kunnen ondersteunen.

Pas veel later, bij het afscheid op Schiphol, begonnen sommigen de tocht over Langanes een spannend avontuur te vinden.

Deze zomer waren de weergoden op mijn hand. Een paar kilometer voorbij het vissersdorpje Thórshöfn reden wij het erf op van een boerderij. De boerin is een Nederlandse die hier in 1991 met haar IJslandse man neerstreek. Na reizen door Lapland en IJsland kon zij niet meer in Nederland aarden. Zij was slachtoffer geworden van een acute aanval van het `noordelijk gevoel', het onstilbare verlangen naar ruimte en verlatenheid.

Wie zou hier niet willen wonen? Op een zonnige dag biedt de door weiden, toendra en besneeuwde bergen omringde hoeve een fantastische aanblik. Wandel je op een rustige juni-avond naar zee, dan kun je onbekommerd genieten van het concert der vogels: van de alarmkreten van tureluurs, het mekkeren van de watersnip (`hemelgeit') en het geratel van het sneeuwhoen.

Onder een blauwe lucht liepen we langs de zuidkust naar de resten van Sklár, een dorp dat in de jaren vijftig werd verlaten. Vanuit de diepte sloegen tientallen verbaasde zeehonden ons gade. We zagen zelfs een nerts, een bruin, marterachtig dier dat uit een fokkerij was ontsnapt. In een mum van tijd heeft één enkel exemplaar het hele broedsel van een kolonie sterns uitgeroeid. De botanici vonden wolfsklauw en zeeweegbree; de kijkers van de vogelaars richtten zich op groepen dobberende papegaaiduikers.

We staken over naar de noordkant, waar jan-van-genten broeden. Wegens het heldere zicht konden we de kustlijn van Langanes helemaal tot aan het eind toe volgen, tot aan het witte vuurtorentje op Fontur.

O, Fontur! Een volgende keer wil ik mijn hand op je koele steen kunnen leggen.

Adres Nederlandse boerin op Langanes: Mirjam Blekkenhorst, Ytra Lón 681 Thórshöfn, Island.

Eerst woonden ze op een boerderij in het binnenland, niet ver van de Dettifoss, waar het water van een gletsjerrivier veertig meter omlaagstort. Breed grijnzend vertrouwde mijn IJslandse chauffeur mij toe dat de boer zijn enige koe eens naar de waterval had gereden om die van het spektakel te laten genieten. Hij en zijn vrouw schrokken er niet voor terug deze eenzame plek voor een nog eenzamer oord te verruilen. Een splinternieuwe vleugel aan het huis is als gastenverblijf ingericht.