Helsinki-top wordt geslaagde mislukking

De Europese topconferentie die dezer dagen in Helsinki plaatsvindt, wordt een succes met desastreuze gevolgen, meent Bob van den Bos. Formeel zullen de EU-leiders belangrijke beslissingen nemen, maar in werkelijkheid zullen ze besluiten de Unie vast te laten lopen.

Het eerdere besluit van de EU de toetredingsonderhandelingen met zes landen te starten en de andere kandidaat-lidstaten in de wachtkamer te zetten, wordt algemeen als achterhaald beschouwd. Landen uit de tweede categorie zouden onnodig gefrustreerd kunnen worden en de staten uit de Balkanregio dienen uit stabiliteitsoverwegingen zo snel mogelijk te integreren. Nu we eindelijk de verfoeide tweedeling van Europa ongedaan kunnen maken, moeten we het niet halfslachtig doen. Er gaan steeds meer stemmen op om het aansluitingsproces te versnellen en soepeler om te gaan met de economische criteria bij kandidaten die wel aan de politieke criteria (goed bestuur, rechtsstaat) voldoen. Zo adviseerde onze Sociaal-Economische Raad onlangs om landen die in 2005 nog niet gereed zijn, toch maar alvast een gedeeltelijk lidmaatschap aan te bieden.

Nu de strijd om de verdeling van de grote financiële fondsen bij de voorjaarstop in Berlijn is beslist, hebben de zuidelijke lidstaten minder te vrezen van de verbreding in oostelijke richting. De noordelijke lidstaten willen de Baltische landen er graag bij en Griekenland lijkt de EU zo gek te krijgen het verdeelde Cyprus toe te laten. Bovendien is het heersende politieke klimaat in de EU veranderd. Bij de sociaal-democratische regeringsleiders, vooral die in Berlijn en Londen, heeft spoedige EU-uitbreiding om uiteenlopende redenen de absolute politieke prioriteit. Duitsland zal weer het centrum van Europa worden en het Verenigd Koninkrijk beschouwt de verbreding als een welkome obstructie van het Europese eenwordingsproces.

Het wenkend perspectief van een ongedeeld en vreedzaam Europa dreigt ons politiek blind te maken voor het enorme probleem van de (on)bestuurbaarheid. Alleen al door hun aantal zullen de nieuwe lidstaten een zware wissel trekken op de toch al moeizame EU-besluitvorming. In bijna al deze landen is in de communistische tijd het nationale, culturele en etnische zelfbewustzijn zwaar op de proef gesteld. In de COMECON (economisch) en het Warschaupact (militair) moesten zij verplicht een eenheid vormen. Van de weeromstuit hebben zij sinds hun bevrijding opvallend weinig behoefte aan onderlinge samenwerking getoond. Het zal deze staten daarom zwaar vallen veel van de zojuist herwonnen nationale identiteit en soevereiniteit weer in te leveren ten behoeve van supranationale besluitvorming. Zij missen de langdurige ervaring van de huidige lidstaten met het ingewikkelde onderhandelingsproces van regeringen en Europese instellingen. Al deze moeilijkheden zijn geen reden om de kandidaatlidstaten buiten de deur te houden. Wel om de EU ingrijpend te hervormen en het toetredingsproces voldoende tijd te gunnen. En dat zijn de regeringsleiders absoluut niet van plan. Integendeel. Alles wijst erop dat de agenda van de onderhandelingen zeer beperkt zal blijven. Nederland behoort zeker niet tot de minst ambitieuze lidstaten, maar zelfs onze regering vindt dat het evenwicht tussen de Europese instellingen niet aangetast mag worden en is tegen elke overdracht van nationale soevereiniteit. En dat is nu precies wat er wel moet gebeuren. Met zevenentwintig botsende nationale belangen dreigt een totale verlamming. Deze kan alleen worden voorkomen door drastische versterking van de instituties die het gemeenschappelijk Europees perspectief belichamen: de Commissie en het Europees Parlement, ten koste van de Raad van Ministers, waar vooral de nationale visies de boventoon voeren. De nieuwe verdragswijziging is voornamelijk bedoeld om de uitbreiding mogelijk te maken en alsnog te regelen wat in Amsterdam (1997) nog niet lukte: samenstelling van de Commissie, herverdeling van stemgewichten in de Raad en uitbreiding van de meerderheidsbesluitvorming. Ook zal een nieuwe verdeelsleutel gevonden moeten worden voor rechters van het Hof en leden van de Rekenkamer, om overbevolking in deze instanties te voorkomen. Het ziet ernaar uit dat elk land vasthoudt aan een eigen Commissaris en dus zullen we het met een grotere en minder efficiënte Commissie moeten doen. Het kabinet wil dat Nederland hoe dan ook in de Commissie vertegenwoordigd blijft. Om toch een efficiënte besluitvorming te waarborgen zou een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen Commissarissen en onder-Commissaris, vergelijkbaar met ministers en staatssecretarissen.

Meer stemgewicht voor de grotere landen in de Raad van Ministers (inclusief Nederland) is noodzakelijk om recht te doen aan de nieuwe verhoudingen. Overeenstemming over deze onderwerpen is echter nog geen bijdrage aan de oplossing van het hoofdprobleem: de bestuurbaarheid van de Unie bij een verdubbeling van het aantal leden. Nagenoeg algemene invoering van meerderheidsbesluitvorming is dat wel, maar daar bestaat nu juist de grootste weerstand tegen. Dit verzet berust op de onwil om soevereiniteit op te geven en om het EP bij dit soort besluiten medebeslissingsbevoegdheid te geven. Niettemin is handhaving van nationale veto's een garantie voor het vastlopen of ernstig vertragen van de besluitvorming. Daarnaast is het noodzakelijk om lidstaten die verder willen samenwerken dan andere, daartoe in de gelegenheid te stellen zonder al te strenge voorwaarden. Ook deze hindernis dreigt niet genomen te worden, omdat veel lidstaten ook in een veelvormige Unie wensen vast te houden aan eenvormige besluitvorming.

Als duidelijk wordt welke prijs betaald moet worden voor het huidige gebrek aan hervormingsdrang, zal het verdrag opnieuw aangepast moeten worden. Dit zal weer lange onderhandelingen en goedkeuring door nationale parlementen vergen. Om deze zware methode te verlichten is het voorstel gedaan om het beleidsmatige deel van het verdrag aan een veel lichtere procedure te onderwerpen. Helaas wijzen de meeste regeringen ook deze noodzakelijke verandering af.

Maastricht, Amsterdam, invoering van de euro, een Europese interventiemacht; de ontwikkelingen gaan snel en er lijkt nauwelijks tijd voor consolidatie. Hoe politiek gewenst de verbreding van de Unie ook is, zij voltrekt zich juist in een periode waarin de legitimatie van de EU meer dan ooit ter discussie staat. Niet alleen door de fraudeschandalen, maar vooral ook door een toenemende angst van burgers dat Brussel sluipenderwijs steeds meer macht naar zich toetrekt. Bovendien blijkt onbekendheid met de Unie haar steeds meer onbemind te maken. Door te hameren op subsidiariteit, oftewel hoe minder Europa hoe beter, praten nationale politici hun kiezers naar de mond die ze zelf gevoed hebben met gebrekkige informatie. De Top in Helsinki zal daarom pas geslaagd genoemd worden als hij niet te veel beslist. Onder deze omstandigheden missen veel Europese regeringsleiders de moed om hun parlementen en burgers de waarheid te vertellen: dat de toetredingen een verdere overdracht van bevoegdheden van het nationale naar het Europese niveau onvermijdelijk maken. Wie deze hervormingen blokkeert, wil Europa klein houden.

Bob van den Bos is voor D66 lid van het Europees Parlement.