EU moet eigen defensie hebben

Een Europese veiligheids-en defensiepolitiek is van groot belang omdat de tijd voorbij is dat de Amerikanen geacht worden het voortouw te nemen, meent

Jozias van Aartsen in een vandaag verschenen artikel in het Franse dagblad Le Monde.

Volgens het Franse ministerie van Defensie was Nederland een van de belangrijkste deelnemers aan de luchtoperaties in Kosovo. De Nederlandse luchtmacht nam 16 procent van de vluchten van de geallieerde Europese strijdkrachten voor zijn rekening. Minder weliswaar dan de Fransen (28 procent), maar evenveel als de Britten, en meer dan de Italianen (13 procent) en de Duitsers (8 procent). Nederland heeft dus recht van spreken waar het gaat om het beheersen van crises in Europa.

Voor het eerst sinds een heel lange periode lijkt zich onder de landen van de Europese Unie een echte consensus af te tekenen over de noodzaak de Unie te voorzien van een veiligheids- en defensiecomponent. Zo zou eindelijk een evenwicht tot stand worden gebracht tussen de economische macht en het politieke gewicht van de Unie. Zal Europa dan eindelijk woord houden en doen waartoe het zich in de verdragen van Maastricht en Amsterdam had verplicht? Er was een verandering in de houding van onze Britse vrienden voor nodig om een echt politiek debat op dit punt te laten ontstaan. Nederland zou daar volledig aan moeten meedoen.

Waarom een Europese veiligheids- en defensiepolitiek? In de allereerste plaats is er het punt dat Europa zich ervan bewust wordt hoe afhankelijk het is van de Amerikanen, zodra het gaat om het beheersen van crises in Europa. De Balkan ligt op nauwelijks drie uur vliegen van Parijs en Amsterdam, en het kan niet zo zijn dat de veiligheid aan onze voordeur in zo hoge mate afhankelijk is van het standpunt van het Amerikaanse congres. De tijd waarin Europa op het gebied van veiligheid de Amerikanen de verantwoordelijkheden kon laten vervullen, die het eigenlijk zelf zou moeten nemen, is voorbij. In de gevallen waarin de NAVO niet zou kunnen of willen optreden, moet de EU beschikken over de bereidheid en de middelen haar belangen te verdedigen.

Een echte Europese veiligheids- en defensiepolitiek zal tegelijkertijd een versterking betekenen van het Atlantisch bondgenootschap, dat, wat ons betreft, het eerst aangewezen instrument blijft voor het beheersen van crises in Europa. We moeten niet vergeten dat het lot van Europeanen, Amerikanen en Canadezen nauw is verbonden. Op grond van zulke overwegingen heeft Frankrijk de militaire samenwerking met de NAVO geïntensiveerd, door met name gelijkwaardig deel te nemen aan de operaties van de Alliantie in Bosnië en Kosovo.

Versterking van de Alliantie, dat is in de eerste plaats een evenwichtiger verhouding totstandbrengen tussen de Europese bijdragen en die van de VS. De militaire operaties in Kosovo hebben duidelijk laten zien dat er tekortkomingen zijn bij de Europeanen. Daar ligt onze belangrijkste taak, zoals terecht is opgemerkt door de Franse president Jacques Chirac.

Wat zijn de voorwaarden voor een Europese veiligheids- en defensiepolitiek die zowel krachtig als geloofwaardig is? Om een eigen rol te kunnen spelen zal Europa in de eerste plaats een samenhangende en doeltreffende buitenlandse politiek moeten hebben. Het vermogen om met de sterke arm op te treden bij het beheersen van crises in Europa, is per slot van rekening alleen maar de uitdrukking van onze politieke wil om naar buiten toe politiek op te treden.

De resultaten van wat we op dat punt tot dusver hebben gedaan, zijn in sterke mate voor verbetering vatbaar. Uit Kosovo blijkt dat de EU als zodanig geen belangrijke politieke rol heeft kunnen spelen en dat heeft moeten overlaten aan anderen, zoals de Contactgroep. Dat komt doordat tussen een aantal lidstaten onvoldoende eensgezindheid of solidariteit bestaat. Voor een geloofwaardige buitenlandse politiek is volledige onderlinge solidariteit van de vijftien lidstaten vereist. Gezamenlijk optreden moet voortkomen uit gezamenlijk overleg en niet uit overleg tussen slechts enkele landen.

Het is uiteraard niet voldoende om beslissings- en planningsstructuren op Europees niveau op te zetten. Het is vooral nodig dat iets wordt gedaan aan de tekortkomingen van onze militaire capaciteit. Anders bestaat het gevaar dat we een façade opbouwen van bureaucratie en ambitieuze verklaringen als maskering van het gebrek aan militaire capaciteit en politieke wil. Onze strijdkrachten moeten veel sneller operationeel zijn, ongeacht of dat nu onder leiding van de NAVO of van de EU is. Ons doel moet zijn de totstandbrenging van een `reservoir' aan militaire capaciteit van de verschillende landen, zodat in zeer korte tijd op basis van die onderdelen een strijdmacht kan worden samengesteld die in staat is een crisis aan te pakken. Dat is het streven van de Nederlandse regering, zoals duidelijk is weergegeven in een zeer recentelijk aan het parlement aangeboden witboek. Onze financiële uitgaven en organisatorische hervormingen moeten gericht zijn op dat waar we echt behoefte aan hebben. Als een volledig zelfstandige Europese strijdmacht voor het beheersen van crises zou worden opgericht, zou worden voorbijgegaan aan het feit dat de NAVO al beschikt over gezamenlijke middelen. Die zijn principieel al beschikbaar. Het zou onzinnig zijn om daaraan geld uit te geven, althans voorzover die middelen reeds tot onze beschikking staan. Nederland zal dat niet doen.

Als zou worden gestreefd naar volledige zelfstandigheid wat procedures en structuren betreft, zou hetzelfde gelden. Ze zouden alleen maar een verdubbeling zijn van die van de NAVO. Een dergelijke verdubbeling zou slechts nadelig kunnen zijn voor de pogingen iets te doen aan de echte tekortkomingen van Europa, bijvoorbeeld op het gebied van strategisch transport en communicatie. Anders gezegd: een geloofwaardige Europese veiligheids- en defensiepolitiek zal uitsluitend mogelijk zijn in volledige samenwerking, wederzijds overleg en duidelijkheid tussen de EU en de NAVO. Als de EU daadwerkelijk op deze weg wil verdergaan, en dat hoop ik, dan zal ze zich moeten voorbereiden op haar nieuwe rol, zowel op institutioneel niveau als wat de beslissingsmechanismen betreft. Het huidige systeem van het Unieverdrag leent zich daarvoor niet en moet dus worden aangepast. Dat is een ingrijpende beslissing. Die kan niet zomaar eventjes genomen worden. De EU kan deze weg niet inslaan zonder de burgers erbij te betrekken. We moeten voor onze overtuiging durven uitkomen door onze keuzes tegenover onze kiezers te verdedigen.

Jozias van Aartsen is minister van Buitenlandse Zaken.