Een strategisch instrument

Miljoenen guldens worden besteed aan het wegwerken van wachtlijsten. Het probleem houdt zichzelf in stand.

RECHTER EN wachtlijst worden al lange tijd in één adem genoemd. Neem bijvoorbeeld de jaren tachtig: het regende korte gedingen en processen waarin patiënten voor de rechter hun behoefte aan hulp probeerden te verzilveren. Omdat ze onmiddellijk de dotterbehandeling willen die de dokter nodig vindt. Of omdat de patiënt meent dat het ziekenfonds de hartoperatie die hij uiteindelijk maar in het buitenland ondergaat moet betalen. Ouders stapten naar de rechter om een plaats in een inrichting voor hun zwakzinnige kinderen op te eisen. En dit is nog maar een greep uit de zaken die tien jaar geleden speelden. Daarmee vergeleken is het de laatste tijd rustig.

Die rust is echter grotendeels schijn. De problemen die de rechters toen zo bezighielden lijken immers nog bij lange na niet opgelost. Overigens niet uit geldgebrek: in 1990 gaf elke Nederlander 3.001 gulden uit aan de zorg, volgend jaar is dat 4.700 gulden. Maar net als toen is er nog steeds weinig inzicht in de besteding van al dat geld. We weten nog steeds niet of al die miljarden guldens die de laatste tien jaar beschikbaar zijn gesteld voor het wegwerken van wachtlijsten ook tot kortere wachttijden hebben geleid.In 1990 meldde deze krant dat niet kon worden achterhaald waaraan de driehonderd miljoen gulden die in 1989 voor dat doel was uitgetrokken was besteed. Hetzelfde kan nu worden gezegd – alleen gaat het dan om vele honderden miljoenen guldens meer.

Van productie van betrouwbare wachtlijstgegevens is nog geen sprake. Vorige week klaagden daarom onderzoekers van het RIVM, die voor staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) de aanpak van de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg onderzochten, nog over het ontbreken van ook maar enigermate betrouwbare cijfers. Zo merken ze op dat de mededeling dat er 7.300 gehandicapten op woonzorg wachten een zinledige is. Er wordt immers niet aangegeven wat de mate van handicap van die 7.300 is of op welke hulp de meesten wachten. Evenmin is bekend waar de gehandicapten blijven die uit een inrichting verdwijnen. Bovendien meldde het RIVM dat ruim 30 procent van de mensen op de wachtlijst waarschijnlijk al hulp krijgt en mogelijk alleen elders diezelfde hulp wil krijgen of op zoek is naar andere vormen van hulp. Daarnaast zou ook nog eens ruim twintig procent van de 7.300 namen op verschillende lijsten voorkomen of al van de gewenst hulp zijn voorzien. Daarmee is de echte wachtlijst al tot minder dan de helft gereduceerd. En daarvan is dan nog eens niet gezegd of het wachten voor hen op dit moment een probleem is. Hoeveel van de gehandicapten staan er op omdat ze bijvoorbeeld pas over een jaar of nog later niet langer thuis bij de ouders kunnen blijven wonen? Wie het weet mag het zeggen.

De gehandicaptenzorg is niet uniek: in feite kampt de hele zorg met sterk vervuilde wachtlijsten, onduidelijkheid over de urgentie van de gevraagde hulp en wat een redelijke wachttijd voor de verschillende vormen ervan is. Soms geven de gepresenteerde cijfers daarvoor enige indicatie. Zoals bijvoorbeeld bij de 20.300 ouderen die op een plaats in een verzorgingshuis zouden wachten. Van hen blijkt een kwart zich uit voorzorg op een wachtlijst te laten zetten en daarvan denkt een kwart op zijn vroegst over een jaar aan een verblijf in een verzorgingshuis toe te zijn. Naar welk verzorgingshuis de voorkeur uitgaat, blijft in het midden: ook hier is inschrijving bij verscheidene tehuizen schering en inslag.

Daarmee is niet gezegd dat wachtlijsten en, vooral, lange wachttijden geen groot probleem vormen. Het grote probleem is echter dat nauwelijks valt te achterhalen hoe groot het probleem is. Zelfs in een sector die inmiddels al enigszins op orde raakt, de ziekenhuizen, bestaat daarover nog steeds veel onduidelijkheid. Dit constateerde ook het Utrechtse onderzoeksinstituut NZi dat twee keer per jaar de stand van de wachtlijsten probeert op te nemen. Daar helpt de verplichting om uniform te gaan registreren – die minister Borst (Volksgezondheid) een paar jaar geleden aan het `wachtlijstgeld' verbond – niets aan. In zijn laatste rapportage (augustus 1999) meldt het NZi dat minder dan de helft van de ziekenhuizen aan die voorwaarde voldoet. En de vraag waarmee het NZi een eerdere rapportage tooide (Het wachtlijstfonds: water naar de zee of panacee?) kunnen de onderzoekers nog niet van een antwoord voorzien.

De lengte van een wachtlijst doet er eigenlijk niet zoveel toe. Belangrijker is de tijd die moet worden gewacht op de gewenste hulp. Maar ook daar is tot dusver nog weinig over bekend. Pas sinds kort wordt, vooral op aandringen van de zorgverzekeraars, gewerkt aan het formuleren van aanvaardbare wachttijden. Die lopen voor de verschillende vormen van hulp uiteen, met als uitgangspunten dat in acute gevallen onmiddellijk hulp wordt verleend en dat wachttijden niet alleen onontkoombaar, maar in de meeste gevallen ook wenselijk zijn.

Zoals bijvoorbeeld in de ziekenhuizen. Wil je een maximale bezetting van een operatiekamer kunnen plannen moet je over patiënten op een wachtlijst kunnen beschikken. Bovendien laat menig arts veel patiënten graag even wachten om de belangrijkste heelmeester, de tijd, gelegenheid te geven zijn werk te doen. En als de artsen al niet enig uitstel willen, zijn het vaak de patiënten zelf die liever nog enige tijd wachten omdat een ingreep volgende maand `even niet uitkomt'. (Amsterdams) onderzoek leert dat zo'n 20 procent van de mensen die voor een operatie worden opgeroepen, niet komt opdagen. Voor een deel omdat de klachten verdwenen zijn, maar ook omdat de angst voor de ingreep overheerst.

Wachtlijsten worden dus pas een probleem als de hulpvrager langer moet wachten dan aanvaardbaar is. En omdat het nog van vrijwel niets vaststaat wat daarvoor de aanvaardbare wachttijd is, is ook als de registratie van de wachtlijsten wèl in orde zou zijn, nog niet te zeggen of ze problemen opleveren. Een betere organisatie van het zorgproces leidt in elk geval tot een drastische afname van de wachttijden, zo blijkt bij de talrijke ziekenhuizen die daar de laatste jaren mee aan de slag zijn.

Transparantie, dat wil zeggen een heldere registratie volgens afgesproken normen en de bereidheid patiënten ook elders te behandelen waar ruimte is, heeft ertoe geleid dat de wachtlijsten voor hartoperaties en dotteren geen probleem meer zijn, zo maakten de hartchirurgen en cardiologen onlangs bekend. Zonder eigenbelang was deze mededeling niet, want ze voegden eraan toe dat nu dus ook de extra hartcentra niet nodig waren die minister Borst wilde opzetten. Dit soort prikkels blijken tot dusver effectiever voor het wegwerken van wachtlijsten dan extra geld. Zo besloot in Amsterdam het ziekenfonds om de wachttijden voor staaroperaties tot een acceptabel niveau terug te brengen door bij een privé-kliniek duizend operaties in te kopen. Toen bleken de ziekenhuizen, die dit eerder niet wilden, plotseling wel zelf in staat de wachtlijsten in een rap tempo weg te werken. En Borst zelf merkte in de Tweede Kamer op dat ,,als we nu zouden besluiten ziekenhuizen zonder problematische wachtlijsten extra geld te geven elders die wachtlijsten als sneeuw voor de zon verdwijnen''.

Het is maar de vraag of de zorgsector dat ook wil. Jarenlang was de publieke en politieke belangstelling voor wachtlijsten minimaal. Dit veranderde enkele jaren geleden. Niet omdat het een groter probleem is geworden, maar doordat de Nederlandse Zorgfederatie ontdekte dat wachtlijsten een goed instrument zijn om er meer geld voor de sector mee af te dwingen. Sinds het verschijnen, in 1995, van het derde jaarrapport Zorg in tel is die koers herkenbaar. Het is een strategie die tot dusver succesvol is gebleken.

Wachtlijsten zijn op dit moment het kapitaal van de instellingen, dat ze zich niet snel zullen laten afnemen. Gedoe over wachtlijsten zal er voorlopig dus nog wel blijven. Reden om voorlopig met enige scepsis naar het cijfermateriaal te kijken.