Afrekenen op resultaat

Orde op zaken stellen. dat is de opdracht die Borst zichzelf heeft gesteld als het over wachten in de zorg gaat. En er is geld.

`GEEN VOORRANGSZORG, geen tweedeling in de zorg. Dit uitgangspunt wordt breed door het veld onderschreven'', schreef wachtlijstbewaker (en oud-staatssecretaris voor Volksgezondheid) D. Dees in juli in zijn eerste rapportage over de aanpak van de wachtlijsten bij ziekenhuizen en geestelijke gezondheidszorg.

De wens lijkt hier de vader van de gedachte: de ziekenhuizen laten er achter de schermen immers geen twijfel over bestaan niet zoveel bezwaar tegen voorrangszorg te hebben als dit hun doel maar dient: ze willen toestemming om op grote schaal eigen inkomsten te verwerven. Als ze van minister Borst (Volksgezondheid) bedrijvenpoli's mogen opzetten en de opbrengst daarvan behouden is het hek van de dam. Dan kunnen ze ook andere activiteiten gaan ontwikkelen om hun inkomsten te vergroten.

In feite willen de ziekenhuizen hetzelfde als wat de geestelijke gezondheidszorg is toegestaan: daar ontwikkelt zich in hoog tempo een forse vrije markt waarop werknemers van medewerkers van bijvoorbeeld Riaggs particuliere hulp aanbieden. De ziekenhuizen zijn in hun standpunt redelijk consistent. Halverwege de jaren negentig pleitten ze al voor voorrangszorg – zonder dat daar toen bezwaar tegen werd gemaakt.

Begin vorig jaar was de discussie over de (on)wenselijkheid van voorrangszorg reden voor de Tweede Kamer om een rondetafelgesprek te beleggen met de meeste landelijke koepels, verzekeraars, werkgevers en vakbonden. Alle deelnemers waren tegen voorrangszorg. Belangrijker was dat ze besloten tot opstellen van een Plan van aanpak van de wachttijden en tot de oprichting van een platform, onder leiding van Dees, dat dit plan uitwerkt.

Dit plan is weliswaar niet het eerste, maar wel een gezaghebbend en toonzettend initiatief dat probeert orde op zaken te stellen. Zo voorziet het onder meer in uniforme registratie van wachtlijsten en wachttijden, het formuleren van aanvaardbare wachttijden, verbeterde organisatie van het zorgproces en betere samenwerking van arbo- en bedrijfsartsen met huisartsen en medisch specialisten.

De aanpak van de wachtlijsten en vooral het beperken van de wachttijden tot aanvaardbare proporties vormt sindsdien de rode draad in het beleid van Borst en haar staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn). Beleid dat zich tot dusver vooral vertaalt in nog meer plannen van aanpak (voor de ouderenzorg en voor de gehandicaptenzorg) en min of meer bindende afspraken tussen departement en de verschillende belangenorganisaties. Dan is er ook nog een `wachtlijstbrigade' voor de ziekenhuizen en zal binnenkort ook voor de ouderenzorg een `brigadier' aantreden. En natuurlijk extra geld voor de komende jaren (tot 2002 ruim 350 miljoen gulden per jaar voor de aanpak van de wachtlijsten). Waarbij dit keer de mededeling dat het weer moet worden ingeleverd als de afgesproken prestaties niet worden waargemaakt.

De ziekenhuizen en de geestelijke gezondheidszorg kregen in 1997 al extra geld van Borst: 50 miljoen gulden. In 1998 kwam daar nog eens 75 miljoen gulden bij en dit jaar is er voor deze sector 130 miljoen gulden beschikbaar voor de aanpak van de wachtlijsten. Een deel van dat geld is overigens bestemd voor de Riaggs. Afgesproken is om – om 1998 als voorbeeld te nemen – in dat jaar 7.845 extra oogoperaties te doen, 1.501 heup-, 741 knie- en 412 open hartoperaties alsmede 202 dotterbehandelingen. Daarmee zijn dan de problematische wachtlijsten aangepakt, de behandelingen waarop volgens de ziekenhuizen hun patiënten het langst moesten wachten. Het NZi constateert dan ook dat voor de oog- en heupoperaties de neiging bij de behandelende specialisten bestaat, nu er wat ruimte op de wachtlijsten ontstaat, gemakkelijker tot een operatie te besluiten. Daarom wordt onder leiding van het platform gewerkt aan een uniforme indicatiestelling: voorkomen moet worden dat het operatieprogramma (over)vol blijft door de drempel te verlagen. Dan verwordt bestrijding van de wachtlijsten tot dweilen met de open kraan.

Op 1 maart zouden er bij de ziekenhuizen 146.000 patiënten op een wachtlijst staan, meldt het NZi, zo'n vijfduizend minder dan een jaar eerder. Maar die wachtenden zijn zeer ongelijk over de verschillende disciplines verdeeld (oogheelkunde en orthopedie nemen samen 40 procent van de wachtenden voor hun rekening) ook tussen de ziekenhuizen, zelfs in dezelfde stad, bestaan grote verschillen.

Voor de Riaggs geldt het al niet anders – al brengt onderzoek van het Trimbos Instituut hier aan het licht dat zeker eenderde van de patiënten op de wachtlijst tijdens het wachten opknapt. Een kwart van de patiënten haalt de spreekkamer niet, zij hebben geen behoefte meer aan de hulp. Binnen de geestelijke gezondheidszorg wordt gewerkt aan een min of meer uniform systeem van indicatiestelling, wat meer zicht op de patiëntenstromen moet geven. Maar het is de vraag of die regels voor de indicatiestelling iets zullen uithalen: slechts 41 procent van de behandelaars is bereid ze te gaan hanteren en nog eens 21 procent wil dat alleen doen als het verplicht wordt. Bijna evenveel (17 procent) behandelaars zeggen daartoe in het geheel niet bereid te zijn.

Dit probleem kennen ouderenzorg en gehandicaptenzorg niet: daar wordt gewerkt aan onafhankelijke bureaus voor de indicatiestelling. Daar staat tegenover dat inrichtingen nog wel eens patiënten weigeren, bijvoorbeeld omdat ze voorzien dat het `dure' klanten worden. Voor het overige geldt vooral voor verpleeg- en verzorgingshuizen en voor inrichtingen voor gehandicapten en psychiatrische patiënten dat het meer tijd kost dan bij ziekenhuizen of thuiszorg om aan een stijgende vraag naar hulp te voldoen: in veel gevallen bestaat de hulpvraag immers uit het bieden van langdurige huisvesting waarvoor gebouwd moet worden. Daarnaast is vooral de gehandicaptenzorg volop in ontwikkeling. Waar gisteren een grootschalige inrichting voor de opvang van een verstandelijk gehandicapte volstond, is vandaag een beschermde maar overzichtelijke woonomgeving de norm en wacht morgen wellicht een aangepaste woning in een gewone woonwijk.

Voor de hele zorgsector volgen Borst en Vliegenthart in grote lijnen dezelfde koers: er is geld beschikbaar voor het wegwerken van te lange wachtlijsten, de sector moet daarvoor uitgewerkte plannen maken op basis waarvan het geld wordt toegekend waarna wordt afgerekend op het nakomen van de afspraken. De leiding daarbij krijgen de regionale `zorgkantoren' van de zorgverzekeraars. Deze zijn verantwoordelijk voor het tijdig leveren van de benodigde hulp. Voor Borst en Vliegenthart resteren daarbij het formuleren van de randvoorwaarden en de politieke afrekening van de behaalde resultaten. En dan blijft er natuurlijk discussie over de vraag of de 5,6 miljard gulden die het huidige kabinet extra voor de zorg uittrekt, voldoende is. Als de sector vindt dat het meer moet zijn heeft Den Haag daar wel een oplossing voor: de almaar groeiende pot vermogens en reserves die de instellingen op de bank hebben staan. Het gaat om een bedrag van zeker vijf miljard gulden.