Wereldhandel mag geen doel op zichzelf zijn

Wil de WTO uit de huidige crisis geraken, dan moeten de lidstaten duidelijke principes formuleren waaraan handelsregelgeving moet voldoen, meent Dani Rodrik. Daarbij moet rekening worden gehouden met uiteenlopende nationale instituties en normen.

Als gevolg van een legitimiteitscrisis die het wereldhandelsstelsel bedreigt, staat ons een ontwrichting te wachten die grote gevolgen zal hebben voor de wereldeconomie.

Zoals de rellen rond de mislukte conferentie van de Wereld Handels Organisatie (WTO) in Seattle hebben aangetoond, is een coalitie van vakbonds-, milieu- en mensenrechtenactivisten erop uit de WTO, de belichaming van de internationale afspraken over de wereldhandel, te saboteren. Daarbij ligt de WTO overhoop met de ontwikkelingslanden, die zich niet kunnen vinden in regelgeving waarvan zij niet profiteren. Tussen deze groepen enerzijds en Amerikaanse en Europese beleidsmakers anderzijds gaapt nu een steeds bredere kloof, die de wereldeconomie destabiliseert.

Iedereen is het erover eens dat voor de stabiliteit van de internationale economie een mondiaal stelsel van regels nodig is. Het huidige geschil betreft alleen de aard van die regels. Tegenstanders van een geliberaliseerde handel veroordelen de WTO om haar gebrek aan openheid en haar `niet-democratische' structuur, en om de invloed van particuliere belangen op de regelgeving. Zij zien de ontwikkeling van een handelsstelsel dat het bedrijfsleven bevoordeelt boven de belangen van werknemers, het milieu en de veiligheid van de consument. Ontwikkelingslanden beklagen zich over restricties waaraan hun export wordt onderworpen en vrezen dat de nieuwe eisen inzake arbeidsomstandigheden en milieu bedoeld zijn om hun concurrentievermogen te ondermijnen.

Om uit de huidige crisis te geraken, moeten wij heldere principes formuleren waaraan handelsregelgeving moet voldoen. Hieronder volgen vijf beginselen waarover men het eens zou moeten worden.

Handel is een middel om een doel te bereiken, en geen doel op zichzelf. Voorstanders van mondialisering wijzen voortdurend op de veranderingen die landen moeten doorvoeren teneinde hun internationale handel te vergroten en buitenlandse investeringen aan te trekken. Wie zo redeneert, verwart het doel met de middelen. Handel is hooguit een instrument waarmee samenlevingen bepaalde doelen kunnen nastreven: welvaart, stabiliteit, vrijheid, een betere kwaliteit van leven. Wat WTO-verketteraars vooral zo kwaad maakt is de verdenking dat de WTO als puntje bij paaltje komt milieu en mensenrechten wil offeren aan de vrije handel. Ontwikkelingslanden moeten zich verzetten tegen een systeem dat hun behoeften slechts ziet in het licht van uitbreiding van de wereldhandel en niet in dat van armoedebestrijding.

In plaats van ons af te vragen welk type multilateraal handelsstelsel de internationale handel en investeringen het meest stimuleert, zouden we moeten nagaan welk stelsel het meest geschikt is om landen in staat te stellen hun eigen waarden en ontwikkelingsdoelen te behartigen. Handelsregels moeten rekening houden met uiteenlopende nationale instituties en normen. Er bestaat geen universeel recept voor economische vooruitgang. Landen verschillen in de eisen die zij stellen aan regelgeving inzake nieuwe technologieën (zoals genetisch gemanipuleerde organismen), de strengheid van milieuwetgeving, de mate van overheidsbemoeienis of de reikwijdte van sociale vangnetten. Rijke en arme landen hebben verschillende behoeften wat betreft arbeidswetgeving of octrooibescherming. Bovendien moet het arme landen vrijstaan typen ontwikkelingsbeleid toe te passen die rijkere landen niet meer nodig hebben. Als landen de handel gaan gebruiken om hun institutionele voorkeuren aan andere landen op te leggen, komt de legitimiteit van de handel in het geding. Handelsregels moeten gericht zijn op vreedzame coëxistentie van verschillende nationale stelsels, en niet op harmonisering.

Niet-democratische landen mogen niet dezelfde handelsprivileges verlangen als democratieën. Nationale maatstaven die afwijken van die welke handelspartners aanleggen en daardoor een handelsvoordeel teweegbrengen, zijn slechts legitiem voorzover ze wortelen in de vrije keuze van burgers. Als voorbeeld kunnen principes van arbeids- en milieuwetgeving gelden. Arme landen betogen dat zij niet dezelfde strikte normen kunnen aanleggen als hoogontwikkelde landen. Strenge uitstootnormen of wetten tegen kinderarbeid kunnen een averechts effect krijgen als ze tot minder werkgelegenheid of grotere armoede leiden.

Niet-democratische landen als China voldoen op het eerste gezicht niet aan deze norm. Het argument dat de rechten van werknemers en het milieu worden geschonden ten bate van een kleine elite is voor zo'n land niet gemakkelijk te weerleggen. De uitvoer van niet-democratische landen dient dan ook aan strengere internationale normen te worden getoetst, vooral wanneer ze de economie van andere landen ontwricht.

Landen hebben het recht hun eigen sociale omstandigheden en instituties te beschermen. Tegenstanders van de mondialisering stellen dat de wereldhandel een `wedloop naar de bodem' op gang heeft gebracht waarbij alle landen neigen naar een minimum aan bescherming van milieu, arbeidsomstandigheden en consumentenbelangen. Volgens anderen blijkt niet dat de handel nationale normen aantast. Eén manier om uit deze patstelling te komen is te aanvaarden dat landen op deze gebieden hun eigen normen kunnen stellen, maar een land zo nodig de toegang tot andere markten te ontzeggen wanneer door een te vrije handel algemeen gehuldigde nationale praktijken in gevaar komen. Zo mag een land zich tijdelijk beschermen tegen invoer uit landen waar het arbeidsrecht slecht geregeld is, wanneer door die invoer de arbeidsvoorwaarden in eigen land worden bedreigd. De WTO kent al een beveiligingssysteem waarmee ondernemingen tegen een plotselinge toename van importen kunnen worden beschermd. Uitbreiding van ditzelfde principe tot toepasselijke sancties voor handhaving van milieunormen, arbeidsvoorwaarden en consumentenbescherming in een land zou het wereldhandelsstelsel beter kunnen beschermen tegen ad hoc-protectionisme.

Niemand heeft het recht institutionele voorkeuren aan anderen op te dringen. Het gebruik van handelsrestricties ter bescherming van bepaalde normen moet worden onderscheiden van de gewoonte om eigen normen aan handelspartners op te leggen. Zo mogen handelsregels Amerikanen niet dwingen garnalen te eten die op voor hen onacceptabele wijze zijn gevangen; evenmin mogen ze de VS in staat stellen om met behulp van handelssancties de eetgewoonten in andere landen te beïnvloeden. Burgers van rijke landen die zich zorgen maken over het milieu of de arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden kunnen meer uitrichten via andere kanalen dan de handelsdiplomatie of ontwikkelingshulp. Handelssancties mogen alleen worden toegepast tegen ondemocratische landen.

Dit zijn eenvoudige richtlijnen die gemakkelijk kunnen worden overgebracht aan kiezers die ingewikkelde regels inzake internationale handel niet snappen. Door ons eraan te houden zouden we de legitimiteit van de handel kunnen vergroten en de wereldeconomie op een hechtere leest schoeien.

Dani Rodrik is als hoogleraar internationale politieke economie verbonden aan de John F. Kennedy School of Government van Harvard University. ©Project Syndicate