Retrospectieven van twee schilderfilmers

Twee retrospectieven zijn er deze maand in de Nederlandse filmtheaters te zien, van twee klassieke filmauteurs die bijna niets met elkaar te maken hebben, behalve het feit dat ze de toeschouwer dwingen tot onvoorwaardelijke overgave aan hun compromisloze stijl. De elf films van de Griek Theo Angelopoulos (1935), die het verbouwde filmtheater Cinemariënburg in Nijmegen ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarige bestaan in aanwezigheid van de maker laat zien, vormen een overzichtelijk en consistent oeuvre, dat vaak in een adem wordt genoemd met dat van andere schilderfilmers als Tarkovski en Antonioni.

Angelopoulos is in Nederland niet helemaal onbekend. Vorig jaar kwam zijn in Cannes met een Gouden Palm bekroonde L'éternité et un jour in Nederland uit en een paar jaar eerder werd, ongetwijfeld mede door de rol van de Amerikaanse independent-acteur Harvey Keitel, Ulysses' Gaze een filmhuissucces. Het was de eerste film die ik van Angelopoulos zag, en het beeld van een onttroond standbeeld van Lenin dat als een reuzen-Gulliver vastgeketend op een boot over de Donau wordt afgevoerd, heeft zich in mijn geheugen geprent. Door Angelopoulos' films stromen altijd rivieren, als de rivieren der vergetelheid die we af moeten varen om ons herinneringenlandschap binnen te kunnen gaan.

Keitel speelt in Ulysses' Gaze een naamloze filmmaker, die op zoek is naar de verloren gewaande eerste filmbeelden van twee Griekse filmpioniers, en die hem, zo hoopt hij, inzicht zullen verschaffen in de Balkan. Zijn reis voert hem van Griekenland naar een in oorlogsmist gehuld Sarajevo en zijn persoonlijke odyssee wordt van een politiek-historische zwerftocht een bijna metafysische zoektocht naar een manier om aan de dwang van het hier en nu te ontsnappen. Het is een thema dat, zo ontdekte ik later, in al Angelopoulos' films zit. Zijn hoofdpersonen proberen zich te verzoenen met de geschiedenis, waarbij hun persoonlijke geschiedenis en die van Griekenland parallel lopen. De term historische film krijgt zo een heel andere betekenis. Angelopoulos' films zijn geen flamboyante kostuumdrama's, maar weidse landschappen die wat zich daar heeft afgespeeld vaak met veel gevoel voor (dramatische) ironie oproepen.

Angelopoulos maakte elf films, de Japanner Kenji Mizoguchi (1898-1956) ruim tachtig, waarvan er maar enkele tientallen bewaard zijn gebleven. Zo'n twintig zijn er nu door het Filmmuseum opgepoetst en afgestoft. Je zou het eveneens historische films kunnen noemen, want ook Mizoguchi neemt ons mee terug in de tijd. Het gebeurt niet zo ongemerkt als bij Angelopoulos, die soms in een en hetzelfde shot van heden naar verleden gaat. Mizoguchi neemt ons mee naar `vroeger', toen er nog ridders waren, en corrupte priesters, en sprookjesgeisha's. Zelfs tijdens Mizoguchi's leven hedendaagse locaties zijn nu verstilde foto's van een tijd waarin we niet meer kunnen binnen gaan.

Bij de niet gedateerd of ouderwets aandoende films van Mizoguchi is de toeschouwer een schatgraver. Een film als New Tales of the Taira Clan (1955), een melodramatisch epos over de strijd tussen machtige monniken en samoeraistrijders in het twaalfde-eeuwse Japan, is een verrassend meeslepende avonturenfilm. De geschiedkundige finesses zijn voor een leek al lang teloor gegaan in historische en culturele afstand en daarmee ook vast veel van de verwijzingen naar zijn eigen tijd die Mizoguchi erin verwerkte. De zoektocht van de jonge krijger Kiyomori naar zijn vader wordt te zeer gekleurd door decorum en gedragsregels om echt invoelbaar te zijn. Het is een fantasiewereld geworden, die je dankzij Mizoguchi's weelderige beelden en royale cameravoering welwillend accepteert.

Bij een eerste kennismaking met Mizoguchi's werk horen ook de films die zijn faam in Europa verspreidden, zoals The Life of Oharu (1952), Ugetsu monogatari (1953) en Osaka Story (1956), films die hij aan het einde van zijn leven maakte en die door hun trefzekere mise-en-scène Franse filmmakers rondom het tijdschrift Cahiers du Cinéma als Jacques Rivette en Jean-Luc Godard fascineerden. We leren Mizoguchi kennen als een nauwgezette stilist, en een van die filmmakers die met licht en kleur hun taferelen op celluloid kunnen schilderen. Esthetisch en exotisch, en wij westerlingen blijven pijnlijk buitenstaanders.

Hoe anders is dat bij De jagers, een van Angelopoulos' films die nog nooit in Nederland is vertoond. Ook de precieze historische details van de Griekse burgeroorlog, de kolonelsdictatuur en de opkomende democratisering ontgaan me, maar de met veel visuele humor neergezette Werdegang van een troepje bourgeois-jagers, een kolonel, een politiechef en een zakenman, dat aan de vooravond van 1977 het ingevroren lijk van een partisaan in de bergen vindt, is vreemd en nabij tegelijkertijd. De film heeft een theatraliteit die aan de Griekse tragedie doet denken. Alleen zijn in De jagers niet de helden de hoofdpersonen, want er zijn geen helden. Het groepje jagers is het koor, dat in plaats van de gebeurtenissen te becommentariëren zelf rekenschap moet afleggen. Zij zijn het die de helden en de schurken hebben gekroond en onttroond. Maar hebben ze de juiste keuzes gemaakt?

Angelopoulos neemt ons mee op reis in de tijd, niet naar het verleden of de toekomst, maar naar dat onbeweeglijke moment waarop alles mogelijk is.