OPEC, rammelend en achterhaald

Sinds april van dit jaar rinkelen de kassa's in de olieproducerende landen weer, nu de prijs van ruwe olie op de internationale markten zich rond de 25 dollar per vat beweegt. Een jaar geleden was dat nog 10 dollar. Maar het extra geld dat nu binnenkomt is nodig om gigantische begrotingstekorten op te vangen, die in de jaren '90 ontstonden toen de prijzen doorgaans op een onredelijk laag niveau lagen. Eigen schuld dikke bult, zeggen veel experts: dan had OPEC de olievoorziening van het rijke Westen maar eerder moeten beperken.

Daar ligt de kern van het probleem in de olielanden, dat Coby van der Linde, medewerker van het Instituut voor internationale vraagstukken Clingendael en vanaf 1 januari a.s. hoogleraar Internationale politieke economie en internationale oliemarkten in Leiden, in haar nieuwste boek beschrijft.

OPEC is een intergouvernementele organisatie die veel weg heeft van een kartel. Olie en olie-inkomsten zijn staatszaken, de kurk waarop de mono-economieën van de elf lidstaten drijven. Toch rammelt de coördinatie van productie en export tussen die elf. Formeel is dat de taak van OPEC, met als doel stabiliteit van de markt en stabiele prijzen te handhaven. Maar de nationale belangen van de kartelleden lopen zover uiteen dat de organisatie de prijscrisis van eind vorig jaar niet kon voorkomen.

Volgens Sjeik Yamani, de vroegere olieminister van Saoedi-Arabië en expert bij uitstek, staat ons deze winter een omgekeerde prijscrisis te wachten. Het (gebrek aan) OPEC-beleid zal volgens hem resulteren in veel te lage voorraden, waardoor olie zo duur wordt dat vooral de Golfstaten zichzelf weer in de vingers snijden. Het gevolg van te hoge prijzen is immers dat de winning in andere delen van de wereld wordt gestimuleerd en de OPEC-landen marktaandeel verliezen.

Van der Linde spreekt van een ongestructureerd en achterlopend stop-go beleid van OPEC: daalt de prijs te ver dan gaan er kranen dicht en bij een prijspiek gaan ze weer open. Fundamenteler is volgens haar dat de olielanden – zowel binnen als buiten OPEC – sinds de nationalisaties in de jaren '70 hun beleid vorm proberen te geven via nationale staatsoliebedrijven. Deze National Oil Companies (NOC's) lopen volledig aan de leiband van de staat. Daardoor worden ze belemmerd in het doen van noodzakelijke investeringen. Ze moeten als melkkoeien zorgen voor het overgrote deel van de staatsinkomsten en voor werkgelegenheid. Bovendien lijden ze onder politieke benoemingen. Dit alles leidt tot te hoge kosten en een zwakke concurrentiepositie.

Veel olielanden zijn als gevolg van begrotingstekorten niet in staat voldoende kapitaal aan te trekken om hun productiecapaciteit uit te breiden. Particuliere investeerders krijgen door allerlei - vaak ook grondwettelijk vastgelegde – barrières weinig kansen. Ook de risico's van ingrepen van de staat en van OPEC in de olieproductie vormen een rem. Toch blijft de oliestroom van immens belang, niet alleen voor de productielanden, maar ook voor de geïndustrialiseerde landen en de Derde Wereld.

Aan het slot van haar uitstekende analyses, gesteund door een keur van wetenschappelijk bronnenmateriaal, trekt Van der Linde keiharde conclusies. De oliemarkt werd na het Arabische embargo van eind 1973, toen de oliesjeiks de dienst uitmaakten, een verkopersmarkt. De actuele situatie van krappe productievolumes lijkt daar nog op, maar dat is slechts schijn. Structureel is er sprake van een kopersmarkt, want industrielanden gaan hun olieverbruik fors beperken om te voldoen aan de klimaatafspraken die eind 1997 in Kyoto zijn gemaakt. Ze werken ook aan de ontwikkeling van duurzame, schone energiebronnen. Om onder die omstandigheden toch kapitaal aan te kunnen trekken moeten de olielanden OPEC verlaten, of de OPEC-strategie drastisch aanpassen, meent Van der Linde.

OPEC's traditionele streven naar een uniform productie- en prijsbeleid en de rol van collectant voor de staatsinkomsten acht ze uit de tijd. Die rol bracht de lidstaten soms kortetermijnsuccessen, maar voor de langere termijn kon de organisatie geen vuist maken. Privatisering en hervorming van de NOC's tot efficiënt werkende bedrijven is in haar ogen een tweede, dringend nodige stap. Door ze vervolgens belasting te laten betalen, kunnen de olielanden op een gezondere manier aan inkomsten komen. Dat zou een einde maken aan het misbruik van de NOC's voor andere doeleinden dan het doelmatig winnen van olie en aardgas. Als ze daartoe niet in staat zijn, moeten ze failliet kunnen gaan of worden overgenomen door efficiënt werkende bedrijven.

Van der Lindes meest radicale advies aan de olielanden is om de Westerse multinationale oliemaatschappijen die hun bezittingen in de jaren '70 genationaliseerd zagen, weer ruimhartig binnen te laten. Zo'n op het Arabisch schiereiland ongetwijfeld zeer omstreden ommezwaai zou een gezonde concurrentie met de NOC's introduceren en de olie-industrie een dynamische stimulans geven. De multinationals krijgen momenteel kansen in Iran en – moeizaam en mondjesmaat – in Koeweit en Saoedi-Arabië zolang ze de nationale soevereiniteit over de olie maar respecteren.

Van der Linde acht hun kennis, ervaring en kapitaal onontbeerlijk voor de olielanden. Ze slaagden erin de winningskosten voor `dure' olie in moeilijke gebieden die nu concurreren met de `goedkope' Golfregio, drastisch te verlagen. Tegelijkertijd zagen de NOC's hun kosten toenemen. ,,Tenzij de olieproducerende landen de wortel van hun problemen erkennen, zullen ze hun laatste restje concurrentievoordeel verliezen door zich te blijven vastklampen aan hun verouderde beleid'', concludeert de auteur.

The State and The International Oil Market

Dr. Coby van der Linde

Kluwer Academic Publishers, Boston/Dordrecht.

ISDN 0-7923-7709 5

Prijs 225.- gulden