Boetedoening

Boetedoening kan op zichzelf geen kwaad. Het vergroot zelfs, als je erin gelooft, de kans op een goede plek in het hiernamaals. Maar openbare boetedoening is een bezigheid die mij altijd met enige argwaan vervult. Wat wil deze boetedoener nog meer? Opvallen? Behagen? Laten zien dat hij, in tegenstelling tot ons, een goed mens vol zelfkritiek is?

Zulke vragen riep het artikel van collega Frénk van der Linden bij me op, dat gisteren op de opiniepagina van deze krant stond. ,,Beatrix' ergernis over de pers is geheel terecht'' stond erboven. Een zeer vreemd artikel. Ik heb het drie keer gelezen, en na de derde keer was de bedoeling van de auteur me nog minder duidelijk dan na de eerste keer. Als er al een zegen op dit artikel rust, dan is het niet de zegen van de consistentie.

Het is inmiddels bekend: koningin Beatrix vindt dat de leugen de Nederlandse pers regeert. De pers heeft die beschuldiging verontwaardigd van de hand gewezen. Fouten, zo was de algemene reactie, worden er zeker gemaakt, maar leugens zijn uitzonderingen.

Wat vindt Van der Linden? Eerst lijkt hij zich bij zijn collega's te scharen. Hij schrijft: ,,Voorzover het de koninklijke opvatting betreft dat de kwaliteit van de pers de afgelopen twintig jaar ernstig achteruit is gegaan (conclusie: `De leugen regeert'), is die verbolgen reactie van journalisten terecht. Door de uitbreiding van redacties (...) is de betrouwbaarheid van de meeste media toegenomen.''

Kunnen we daarmee de lezing van het artikel staken? Nee, want de adembenemende ommezwaai moet nog komen. Van der Linden blijkt die media verderop eigenlijk helemaal niet zo betrouwbaar te vinden. Hij schrijft: ,,Geen speelgoedfabrikant, geen ambtelijke werkgroep, geen artiest zou een product durven presenteren waaraan zoveel hapert als aan journalistieke waar.'' En hij eindigt met de vaststelling: ,,Het kan geen kwaad de kern van haar (Beatrix') litanie over slordigheden, spelfouten, eenzijdigheid, onzorgvuldigheden en leugenachtigheid serieus te nemen en tegenover het publiek te beamen.''

Hoe nu? Aan de ene kant mogen wij, journalisten, van Van der Linden verbolgen zijn op een koningin die ons leugenachtigheid verwijt, maar aan de andere kant moeten wij dergelijke verwijten serieus nemen en tegenover het publiek beamen. Ik pieker er niet over. Ik wil alleen dingen beamen waarmee ik het eens ben, en daar behoren geen dingen bij waar ik, zelfs volgens Van der Linden, terecht verbolgen over ben.

De kern van Beatrix' kritiek betrof juist die leugenachtigheid. Dáár is de pers over gevallen, niet over haar kritiek op slordigheden en spelfouten.

Vroeger, op de lagere school, had je in elke klas wel een jongetje dat af en toe zijn vinger opstak om de meester erop te wijzen dat andere jongetjes niet deugden. Een goede meester luisterde niet naar zulke jongetjes. Als Beatrix verstandig is, luistert ze niet naar Frénk van der Linden.