Zwitserse banken voelen zich gerehabiliteerd

De commissie-Volcker, die onderzoek heeft gedaan naar slapende rekeningen van slachtoffers van de Holocaust in Zwitserse banken, heeft niet de beerput gevonden die het Joodse Wereldcongres meende te zien.

Opgelucht kan Zwitserland ademhalen. Het is erg meegevallen met het onderzoek dat de commissie-Volcker de afgelopen drie jaar heeft gedaan naar de slapende rekeningen van slachtoffers van de Holocaust op Zwitserse banken. Natuurlijk, ongeveer 54.000 van dat soort rekeningen (waarvan de helft bijna zeker en de rest misschien) is niet weinig. Maar van systematische pogingen door de banken om geld achterover te drukken is niets gebleken.

Het totale bedrag dat op de rekeningen is achtergebleven – geschat op maximaal 800 miljoen gulden – is weliswaar veel meer dan wat de banken zelf in de loop der jaren hebben achterhaald. Maar het is aanzienlijk minder dan de 2,5 miljard gulden waarmee de Zwitserse banken in 1998 dreigende boycotacties en rechtszaken hebben afgekocht. En zeker aanzienlijk minder dan het bedrag van 7 miljard dollar dat lange tijd in kringen van het Joodse Wereldcongres (JWC) werd genoemd.

De commissie-Volcker heeft wel geconstateerd dat de banken geneigd waren om nabestaanden van Holocaust-slachtoffers, die kwamen informeren naar rekeningen van overleden verwanten, nogal koel te bejegenen. Zo werd bijvoorbeeld vaak naar overlijdensactes gevraagd, die er vanzelfsprekend niet waren, of werden precieze rekeningnummers geëist, die de nabestaanden meestal niet hadden. Daarvoor hebben de banken gisteren meteen hun excuus aangeboden.

Maar ook Volcker heeft gemerkt dat het niet eenvoudig was om rekeningen op te sporen. Hij had vijf gerenommeerde accountantskantoren tot zijn beschikking. En zelfs die hadden – voor een bedrag dat vrijwel net zo groot is als dat van de achterhaalde gelden – drie jaar nodig om alle archieven te ontrafelen.

Commentatoren en politici vinden dan ook dat Zwitserland met dit rapport min of meer is gerehabiliteerd. `Banken bevrijd van een last' kopt de Tages-Anzeiger vanmorgen. De krant spreekt van een `gedeeltelijke vrijspraak' voor de banken en constateert dat de zware verwijten door joodse organisaties niet bevestigd zijn. Volgens de Neue Zürcher Zeitung is er zelfs sprake van een `verregaande vrijspraak'.

Een van de laatste hoofdstukken van het door de buitenwereld opgedrongen zelfonderzoek van de Zwitsers naar hun oorlogsverleden is hiermee afgesloten.Jarenlang kon Zwitserland zich koesteren in de gedachte dat de neutraliteit het land immuun maakte voor zoiets als een dubieus oorlogsverleden. Maar die illusie werd ruw verstoord toen de Zwitsers in 1995 – na de val van de Muur, het opengaan van veel archieven en de vijftigste herdenking van het einde van de oorlog – in de beklaagdenbank terechtkwamen. Ze reageerden furieus. Hoe durfde men hen te beschuldigen, Auschwitz had toch niet in de Alpen gelegen. De verbijstering over zoveel onrecht verlamde aanvankelijk politici en bedrijfsleven. Maar in 1996 begon, met Zwitserse precisie, het tegenoffensief.

De benoeming van de Independent Committee of Eminent Persons (ICEP) onder leiding van de Amerikaanse oud-bankier Paul Volcker was daarvan een onderdeel. De commissie kreeg opdracht om rekeningen op te sporen van joden en anderen die door de nazi's werden vervolgd en die hun geld op Zwitserse banken in veiligheid probeerden te brengen.

De banken hebben altijd volgehouden dat het om geringe bedragen ging, dat ze vrijwel niet te achterhalen waren omdat de rekeningen vaak anoniem waren en dat veel rekeningen niet gevonden konden worden, domweg omdat ze er niet waren. Volgens de banken werd het geld in de oorlog nogal eens door dubieuze tussenpersonen naar Zwitserland gebracht, die het op een andere plek of onder een andere naam deponeerden dan was afgesproken.

Hoewel het rapport een minder positief beeld schetst, bevestigt het in grote lijnen wat de banken steeds hebben beweerd. Het Joods Wereldcongres was gisteren vrijwel de enige die zei dat Volckers rapport voor de banken een ,,mea culpa'' en zeker geen ,,eerherstel'' is.

De eerste horde is daarmee door de Zwitsers genomen. Over een paar dagen volgt de tweede. Want dan publiceert een andere internationale commissie, onder leiding van de Zwitserse historicus Jean-François Bergier, haar rapport. Daarin wordt onder meer de Zwitserse vluchtelingenpolitiek onder de loep genomen. Kranten hebben al weten te achterhalen dat de kritiek van Bergier niet mild zal zijn en de Zwitserse regering denkt erover of er aanleiding is voor een (hernieuwde) verontschuldiging aan het adres van de vluchtelingen.

Uiteindelijk zal er nog één hindernis overblijven. In het tumult van de eerste beschuldigingen probeerde de Zwitserse regering eind 1996 het tij te keren met een voorstel voor een soort solidariteitsfonds. Het fonds zou gefinancierd worden uit de herwaardering van de goudstandaard, die Zwitserland nog steeds hanteert voor zijn munt. Ook slachtoffers van de Holocaust – maar zij niet alleen – zouden hieruit kunnen putten.

Nu de ergste stormen achter de rug zijn, moet het besluit over dit fonds nog steeds worden genomen. Een weg terug is er voor de regering niet, maar de weg voorwaarts zou wel eens geblokkeerd kunnen worden door onwelwillige burgers. De regering is namelijk verplicht om het voorstel in een referendum aan de bevolking voor te leggen. En het is al lang niet meer zeker dat die zich er voor zullen uitspreken – de onverwacht grote overwinning van de nationalistische Schweizerische Volkspartei bij de recente verkiezingen is een veeg teken. Dan dreigt het met moeite schoongewassen imago opnieuw bezoedeld te worden.