Weidelijke jacht

Vrijdagmiddag 3 december. De pannen waaien van het dak. Ik sta bij een kennis die afgelegen in de bossen woont, in de dakgoot de schade op te nemen. Door de loeiende windvlagen heen hoor ik allerlei vreemde geluiden. Gejoel lijkt het, soms wel gegil. Dan zie ik de bron van het geluid – een man in een geel regenpak staat met zwaaiende armen te schreeuwen. De drijfjacht die deze ochtend zou beginnen, is dus niet afgeblazen.

Weer of geen weer – gejaagd moet er worden. Jacht is zelfs weer `bon ton' als we de Profielbijlage over jacht moeten geloven. Ben ik tegen jacht? Niet per se. Ik denk aan de jachtopzichter die ik 's ochtends met terreinwagen en aanhangwagen het bos in zie verdwijnen. Een uur later klinkt één droog schot. Een ree kijkt even op – en graast weer verder. Even later komt de terreinwagen weer langs, met in het aanhangwagentje een dampend dood dier. Kijk, dat is een ambacht dat ik door zijn vlekkeloze uitvoering nog kan bewonderen. Eén zo'n man kan helemaal alleen het veelbezongen wildbeheer uitvoeren.

Maar veel méér mensen willen jagen. De dorpsnotabelen. De dokter en de notaris. De nieuwe rijken. Stedelingen van veel verderop in het land. En de jachtbijlage beval aan dat toch vooral meer vrouwen moeten gaan jagen, omdat dat zo leuk is.

's Ochtends zie je twintig auto's geparkeerd staan langs het bos en je weet al dat het een onrustige dag gaat worden. Voortdurend hoor je het geblaf van honden.

Maar dit is niet zomaar een dag. Boompjes waaien om, takken breken af. Plotseling gegier en dan weer een beladen stilte voor een nieuwe storm. Je voelt de onrust van de dieren om je heen. Een tak breekt af en valt in een groepje jonge sparren. Gelijktijdig springt er een ree uit, dat mij met puilogen bekijkt: een mens, ook dat nog! Je ziet onder de regenwolken een bosuil uit een boomholte vliegen – hij heeft gelijk, even later hangt zijn boom scheef.

Maar de jacht gaat dus door. Met aanstellerige geluiden dieren opjagen uit hun rustplaats in een winderige wereld waar niets goed te ruiken, te zien of te horen valt – men noemt zoiets een weidelijke jacht.

In Amsterdam waait een circustent weg en een deel van het Olympisch stadion. Er kantelen vrachtwagens. Zelf sta ik, uitkijkend over donkere bossen, op een gehavend dak. Iedereen heeft een verhaal bij die storm. En wat hebben deze mensen? `We hebben met z'n dertigen een stel zwijnen geschoten. Oké, ze zaten in een rustgebied en konden geen kant op, maar ze zijn toch wel mooi dood.'

Een opeenvolging van gejoel en geknal vult de stormgeluiden aan, tot het donker wordt. Dan wordt de jacht eindelijk afgeblazen. Ik hoor het bekende signaal.

Nooit klonk het blikken toetertje zo impotent als nu.