Van Aartsen herziet zijn standpunt

De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Van Aartsen, heeft al zijn bezwaren tegen plannen voor een militaire snelle interventiemacht van de Europese Unie laten varen.

Na afloop van overleg met zijn EU-collega's zei hij gisteren ,,gelukkig'' te zijn met een voorstel over de Europese defensie van het Finse EU-voorzitterschap. In dit document zijn de Brits-Frans-Duitse voorstellen verwerkt waarover Van Aartsen zich nog enkele weken geleden zeer sceptisch uitliet.

Het voorstel wordt eind deze week in Helsinki voorgelegd aan de Europese regeringsleiders. Die moeten beslissen over een Europese defensie, waartoe vanaf 2003 een snelle interventiemacht zou moeten behoren.

Van Aartsen heeft er gisteren mee ingestemd dat pas volgend jaar onder het EU-voorzitterschap van Portugal bekeken wordt welke wijzigingen eventueel in het Verdrag van de Europese Unie aangebracht moeten worden als gevolg van de Europese defensieplannen. Nederland wilde tot nu toe dat de Europese regeringsleiders in Helsinki al de defensie op de agenda zouden zetten van de Intergouvernementele Conferentie (IGC) over wijziging van dit verdrag die volgend jaar wordt gehouden.

Volgens Van Aartsen is de Nederlandse houding ten aanzien van de Europese defensie niet gewijzigd. In het voorstel van het Finse voorzitterschap zijn volgens hem ,,op bevredigende wijze'' Nederlandse wensen opgenomen. Dat betreft volgens hem vooral paragrafen waarin melding wordt gemaakt van de NAVO als basis voor de collectieve defensie van de lidstaten en waarin wordt gesproken over consultatie tussen de Europese Unie en NAVO voordat de EU besluit met een militaire macht een crisisoperatie uit te voeren. ,,Dat zijn teksten waarin wij ons herkennen'', aldus Van Aartsen.

De samenwerking met de NAVO was vorige maand ook genoemd in een Brits-Frans document over de Europese defensie, waar Van Aartsen toen zeer kritisch op reageerde. Hij zei gisteren ,,geen probleem'' te hebben met de doelstelling dat de EU een ,,autonome'' capaciteit wil hebben om een militaire operatie te beginnen. De Nederlandse minister noemde de operaties die een in het Finse document voorgestelde interventiemacht van 50.000 tot 60.000 militairen kan uitvoeren ,,nog vrij beperkt''.

Hij ontkende dat hij door met de oprichting van zo'n interventiemacht in te stemmen zijn tot dusver ingenomen standpunt verliet dat een EU-macht slechts zeer beperkte operaties mag uitvoeren.