Twijfelen over geweldscijfers mag

De aanpak van criminaliteit is het best geholpen met betrouwbare gegevens over de ontwikkelingen van het probleem, menen Marianne Junger en Karin Wittebrood. Dan kan onderzoek op een wetenschappelijke manier worden voortgezet.

Onlangs hebben wij in het Tijdschrift voor Criminologie een artikel gepubliceerd waarin wij vraagtekens zetten bij de gangbare opvatting dat Nederland steeds gewelddadiger wordt. Verschillende auteurs hebben op dit artikel gereageerd. In deze krant van 13 november lieten Van der Bunt en Bijleveld, beiden werkzaam bij het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie, zich nogal kritisch uit over de ontstane discussie en over ons onderzoek. Zij stelden onder meer dat wij ,,een misleidend en gedateerd beeld'' hebben gegeven van de ontwikkeling in geweld, en dat wij ,,de ernst van de problemen met geweld niet willen of durven onder ogen te zien''.

In ons onderzoek hebben we gebruik gemaakt van verschillende bronnen die elk inzicht bieden in de ontwikkeling van geweld in Nederland. We laten zien dat politiestatistieken, slachtofferenquêtes en medische registraties verschillende beelden geven van de ontwikkelingen in geweldscriminaliteit in de afgelopen decennia. De politiestatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (waarin de opgaven van de politie worden verzameld) laten bijvoorbeeld zien dat het aantal geweldsmisdrijven dat de politie registreert, sinds de jaren tachtig sterk toeneemt. De slachtofferenquêtes (grootschalige bevolkingsonderzoeken gehouden door het CBS waarin respondenten gevraagd wordt of zij slachtoffer zijn geworden van een bepaald misdrijf in het afgelopen jaar) laten daarentegen zien dat het aantal geweldsmisdrijven vanaf 1980 weliswaar fluctueert, maar dat van een duidelijke daling of stijging geen sprake is. Daarnaast laten ook cijfers van de landelijk medische registratie zien dat sinds 1980 het aantal slachtoffers van geweld dat medische opvang nodig heeft in een ziekenhuis, niet is gestegen (ook de voorlopige cijfers over 1997 brengen geen verandering in dit beeld).

In ons artikel zoeken we naar een verklaring voor de verschillen tussen de trends in de politiestatistiek enerzijds en de andere twee registraties anderzijds. We geven aan dat een aannemelijke verklaring kan worden gevonden in het verbeterde functioneren van de politie. De politie is – mede dankzij automatisering, maar waarschijnlijk ook door veranderde prioriteiten – in de loop van de tijd steeds beter het door burgers gemelde geweld gaan registreren. Deze conclusies worden onderbouwd met gegevens van het CBS. De slachtofferenquêtes laten bijvoorbeeld zien dat wanneer slachtoffers bij de politie een geweldsdelict melden, de politie dit delict steeds vaker registreert: in 1992 werd slechts van 39 procent van de meldingen een proces verbaal opgemaakt, terwijl dit in 1998 van 66 procent is. Het lijkt erop dat een steeds beter functionerende politie en een verbeterde opvang van slachtoffers de officiële criminaliteitscijfers heeft doen stijgen. Hoe beter de politie haar werk doet, des te meer criminaliteit er lijkt te zijn in ons land. In ons artikel hebben we deze paradox willen belichten.

Van de Bunt en Bijleveld beweren nu dat ons beeld van de ontwikkelingen in geweld `misleidend en gedateerd' is. Zij stellen dat wanneer wij de cijfers uit de slachtofferenquêtes van 1997 en 1998 wel hadden meegenomen (die overigens ten tijde van het schrijven van ons artikel nog niet beschikbaar waren), we hadden gezien dat `het gerapporteerde slachtofferschap wel degelijk is toegenomen'. De recente cijfers geven inderdaad – zoals Van de Bunt en Bijleveld stellen – aan dat sinds 1996 de criminaliteit gestegen is van 722.000 geweldsdelicten tot 860.000 in 1997 en tot 954.000 in 1998. Op het eerste gezicht lijken Van de Bunt en Bijleveld dus gelijk te hebben. Wat zij echter vergeten te melden is dat de omvang van geweld in 1997 en 1998 overeenkomt met de omvang die gemeten is in vrijwel alle andere 13 slachtofferenquêtes gehouden sinds 1980. In de periode 1980-1989 was de omvang van de door de bevolking ondervonden geweldsdelicten gemiddeld namelijk 885.000 en in de periode 1990-1995 was dit 893.000. Het zijn deze langetermijngegevens waarop we onze relativerende opmerkingen hebben gebaseerd. Het schetsen van trends op basis van slechts drie jaren en het refereren aan een jaar waarin de enquêtes een uniek lage omvang laten zien (1996), lijkt ons juist `misleidend'.

Een tweede reden waarom ons beeld van de ontwikkelingen `misleidend' zou zijn, is dat we uitkomsten van andere belangrijke slachtofferenquêtes buiten beschouwing zouden hebben gelaten. Dit is onjuist. We rapporteren wel degelijk cijfers afkomstig van de Politiemonitor Bevolking (een slachtofferenquête sinds 1993 gehouden in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en justitie). We geven aan dat deze bron geen stijging laat zien in het aantal mishandelingen. Dit is overigens in overeenstemming met de slachtofferenquêtes van het CBS. Daarnaast geven we aan dat de Politiemonitor sinds 1993 wèl een stijging laat zien in het aantal bedreigingen. Deze ontwikkeling komt niet overeen met de resultaten van de slachtofferenquêtes van het CBS. Wij geven toe dat we op dit moment geen verklaring hebben voor de verschillen tussen beide bronnen, maar die hebben we van Van de Bunt en Bijleveld ook niet gehoord.

Een derde reden waarom ons beeld van de ontwikkelingen in geweldscriminaliteit `misleidend' zou zijn, is dat we geen gebruik hebben gemaakt van andere bronnen over trends in criminaliteit. Naast politiecijfers, slachtofferenquêtes en medische registraties, zou ook gebruik gemaakt dienen te worden van zogenaamde `maatschappelijke sensoren'.

Van de Bunt en Bijleveld pleiten hiervoor: `Wie zijn oor te luisteren legt bij portiers van discotheken, leraren in het voortgezet onderwijs of taxichauffeurs hoort dat het de laatste jaren erger is geworden met het geweld'. Wij zijn erg voor het gebruik van verschillende bronnen bij onderzoek naar criminaliteit. Het is echter niet zeker of schattingen van individuen een adequater beeld van ontwikkelingen in criminaliteit opleveren dan twintig jaar slachtofferenquêtes van het CBS.

Het is jammer dat een wetenschappelijke discussie over ontwikkelingen in geweld vermengd wordt met een morele discussie. Geweldscriminaliteit is een zeer ernstig probleem. Wij hebben niet beweerd dat geweldscriminaliteit wel meevalt, laat staan dat we maar tot de orde van de dag moeten overgaan. Wat we met ons artikel hebben willen laten zien, is welke haken en ogen er zitten aan cijfers over trends in geweldscriminaliteit.

De aanpak van criminaliteit is het best geholpen is met betrouwbare gegevens over ontwikkelingen van het probleem. Dan kan hopelijk ook het onderzoek naar de ontwikkeling in geweldscriminaliteit op een wetenschappelijke manier worden voortgezet, zonder dat onderzoekers ervan beschuldigd worden geweld niet serieus te nemen, wanneer zij op grond van empirisch materiaal twijfels uiten bij het bestaan van een sterke stijging van geweld in Nederland.

Marianne Junger is werkzaam bij het Nederlands studiecentrum criminaliteit en rechtshandhaving. Karin Wittebrood is werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.