Risico's lekkende tramtunnel genegeerd

De Haagse raad vergadert morgenavond over nieuwe tegenvallers bij de lekkende tramtunnel: drie tot vier jaar vertraging, meerkosten 50 à 90 miljoen gulden.

Het was dansen op een vulkaan. Vanaf het eerste begin liep de gemeente Den Haag met de bouw van een tramtunnel, dwars door het centrum, het gevaar van een grotendeels onverzekerde lekkage. Vele malen is het stadsbestuur hiervoor gewaarschuwd, zo blijkt uit stukken die deze krant met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur (WOB) ter beschikking kreeg. Desondanks besloot Den Haag het plan – geraamde kosten 282 miljoen gulden – ongewijzigd door te zetten.

Van alle betrokkenen hebben de verzekeraars het eerst aan de bel getrokken. Al in 1995, vóór het begin van de bouw, wezen zij het stadsbestuur op het manco van het ontwerp. Essentie daarvan is de groutboog, de boog die voor stabiliteit moet zorgen en tegelijkertijd moet voorkomen dat er water in de tunnel stroomt. ,,Een niet al te gelukkige constructie'', aldus de verzekeraars op 29 juni 1995. ,,Bij een relatief kleine lekkage ontstaat al snel welvorming die dan niet meer of moeilijk zal zijn te stoppen en dit kan uiteindelijk leiden tot ernstige instabiliteit van de bouwput.''

Zo geschiedt het na 19 februari 1998, als op de Kalvermarkt een lek wordt geconstateerd. Niets aan de hand, zegt gemeentelijk woordvoerder P. Andriessen, het is ,,een stabiele situatie''. Twee weken later, 8 maart, zijgt een deel van het wegdek ineen. De groutboog blijkt lek, veel grond is weggespoeld, trams kunnen niet meer rijden. Sindsdien spreken betrokkenen van ,,de calamiteit''.

Het jaar daarvoor is de calamiteit, blijkens de stukken, minstens zesmaal aangekondigd. Inclusief het andere mankement: geen afdoende verzekering.

In vogelvlucht: 6 januari 1997 schrijft adviseur K. Brons van de verzekeraars aan ontwerper SAT dat ,,het veroorzaken van lekkage [...] niet als schade kan worden beschouwd in de zin van verzekeringsvoorwaarden''. Een maand later signaleert adviseur Ballast Nedam Engineering in een `foutenboomanalyse' dat het project ,,vijf faalmechanismen'' kent. ,,Bezwijken groutboog'' staat op drie.

Op 12 februari 1997 laat adviseur Brons weer weten dat ,,een zwakke plek'' ontstaat, zodra ter voorbereiding van de aanleg van de groutboog een veenlaag wordt weggehaald: ,,In de fase tijdens of na het ontgraven kan deze plek [...] leiden tot evenwichtsverlies in de boog als ware het een kurk, die door waterdruk uit de boog wordt geblazen met alle consequenties van dien.'' Op 17 februari 1997 schrijft verzekeraar Allianz ,,dat de risico's voor de verzekeraars onevenredig groot dreigen te worden'' nu onvoldoende op mogelijke lekkage wordt ingespeeld: ,,Gezien de uitdrukkelijke voorbehouden die wij [...] gemaakt hebben bij acceptatie van het risico, dienen wij ons thans te beraden op de polisdekking.'' 11 december 1997 concludeert adviseur Brons dat ,,de kans op calamiteiten is toegenomen door onzekerheden over de kwaliteit [...] van de boog''.

Intussen zijn de verhoudingen tussen betrokken partijen geëscaleerd. De gemeente en ontwerper SAT schrijven de aannemer diverse kortaangebonden brieven, omdat deze afspraken niet nakomt en uitvoeringsrisico's afwentelt op de gemeente. De verzekeraar intervenieert menigmaal en kiest meestal de kant van de aannemer. Het draait om geld. De gemeente stelt dat de afgesproken contractsom van 282 miljoen keihard is. De aannemer wijst op onvoorziene risico's en onvolkomenheden door het fragiele ontwerp, in een poging een hogere prijs te bedingen. Het wantrouwen dat zo ontstaat, noopt tot inwinning van een extern advies bij Berenschot Osborne.

Diens rapport van 11 december 1997 poogt ,,de spanningen in de samenwerking'' te beëindigen. Het blijkt dat ontwerper SAT zoveel energie kwijtraakt aan meningsverschillen met de aannemer dat ,,onvoldoende tijd ter beschikking komt voor het optimaal sturen van het project''. Intussen wijst ook Berenschot op

de mogelijke calamiteit. ,,In het geval van de groutboog is er een zeer gering risico van [...] het binnenstromen van water en grond. Hoewel dit een klein risico is, zijn de gevolgen aanzienlijk.'' Berenschot vermeldt welke klemsituatie zich dan zal voordoen: ,,Hierbij moet worden bedacht dat ten tijde van de aanbesteding alle gegadigden hebben geweigerd het risico van het ontwerp van de groutboog op zich te nemen.''

Zo liggen de kaarten als het lek zich februari 1998 voordoet. Den Haag heeft willens en wetens gekozen voor een gebrekkig ontwerp zonder afdoende verzekering. De ontwerper houdt zich gedeisd; de aannemer en de verzekeraar reageren: we hebben het altijd gezegd, en de gemeente houdt vol wel degelijk goed verzekerd te zijn.

Maar de verzekeraar meldt intern dat de polis alleen de directe gevolgen van het lek dekt. Het ineengezegen wegdek wordt dus vergoed, maar de kosten van het dichten van het lek niet. En evenmin de schade die bedrijven lopen zoals de trammaatschappij, winkels die handel mislopen, aanpalende bouwprojecten die stil komen te liggen. De miljoenenclaim die de gemeente bij de verzekeraar neerlegt, wordt 22 april 1998 afgewezen, behoudens 50.000 gulden voor een nieuw wegdek.

Intussen blijkt dat Den Haag niet weet hoe te handelen nu de voorspelde (onverzekerde) lekkage zich heeft voorgedaan. De stad zoekt een schuldige om het dreigende financiële debacle op af te wenden: de aannemer. Die heeft ,,een fout'' gemaakt en daarvoor moet hij ,,de gevolgen dragen'' (brief van 4 maart 1998). De aannemer weigert per kerende post en schrijft de ontwerper dat hij in het verleden bij herhaling zijn ,,zorg heeft uitgesproken over de risico's verbonden aan het basisontwerp''. Vervolgens stelt de gemeente ook de ontwerper aansprakelijk.

Dat de gemeente de schuld al te gemakkelijk in de schoenen van de aannemer schuift, blijkt uit een brief aan subsidieverstrekker Rijkswaterstaat van 4 augustus 1998. Stoer meldt de gemeente dat alle niet verzekerde schade in rekening is gebracht bij de aannemer. Maar daarna volgt gauw de vraag ,,in hoeverre'' de aannemer ook werkelijk ,,verantwoordelijk is''. Het kan net zo goed, schrijft de gemeente, dat ,,het ontwerp'' oorzaak is, zodat onzekerheid bestaat of ,,een eenduidig antwoord op de schuldvraag mogelijk is''. Vandaar dat de gemeente vast het verzoek om meer geld aankondigt. Rijkswaterstaat voelt daar niets voor.

Ruim een jaar doet Den Haag het daarna voorkomen dat men zoekt naar een andere techniek om het lek te dichten. Driemaal lanceert wethouder H.J. Meijer (Verkeer) een nieuwe oplossing, om die enkele maanden later weer in te trekken. Uit de stukken blijkt dat de ruzieachtige sfeer tussen gemeente en aannemer steeds erger wordt. Ook bemiddeling door Elco Brinkman, baas van de bouwondernemers, helpt niet, blijkens notulen van 1 juli 1999: ,,Het gesprek werd als niet prettig ervaren.'' Vorige week volgde alweer een andere techniek (verhoogde luchtdruk), en, voor het eerst, de erkenning van meerkosten oplopend tot 90 miljoen, van uitstel tot 2004, en van het feit dat er nog geen antwoord is op de schuldvraag.