Liberia

Het artikel over Liberia (NRC Handelsblad, 25 november), laat helaas een aantal zaken onbelicht. De oudste republiek van het Afrikaanse continent (1847) is naarstig op zoek naar een nieuwe weg in haar ontwikkeling. De burgeroorlog die het land van eind 1989 tot en met 1996 teisterde, bracht grote economische, sociale en etnische ontwrichting.

Toen deze oorlog uitbrak had het rijke westen hier nauwelijks aandacht voor. Immers, het conflict Irak/Koeweit kreeg alle internationale aandacht. Ten gevolge van de Liberiaanse oorlog staakten vele grote internationale mega-bedrijven er hun activiteiten. (Liberia was een van de grootste ijzerertsproducenten alsook was er 's werelds grootste rubberplantage gevestigd). Een schrikbarende neerval van de economie was dan ook het gevolg. Bijna eenderde van de bevolking ontvluchtte het land.

Tachtig procent van de achtergebleven bevolking leeft onder de armoedegrens en is afhankelijk van hulp van buiten. Publieke voorzieningen zijn er nauwelijks. Evident is dat door de economische wanorde dubieuze zakenlieden naar het land trekken. Dat deze lieden (u noemt ze oplichters) van een koude kermis thuiskomen is meer aan henzelf te wijten dan aan de regering van Liberia.

Het artikel stigmatiseert de regering van Liberia onterecht als een stelletje gewetenloze bandieten en gaat voorbij aan het feit dat er pas nu de eerste democratisch gekozen president zit, die een wanorde erft uit het bloedige bewind van master-sergeant Samuel Doe. Door een `koppig' krachtspel dwong president Charles Taylor de strijdende partijen een eind te maken aan de recente gruwelijke burgeroorlog. De bevolking van Liberia, ook de toenmalige kindsoldaten, behoeft alle steun om zich te verzoenen met de gruwelijkheden van de oorlog, en verder te bouwen aan een goede toekomst.

Deze jonge democratie, in een oude republiek, verdient onze support tot wederopbouw van het land, al dan niet via (niet)-gouvernementele hulporganisaties.