Eurokorps vergt andere begroting Defensie

De oprichting van een Europees legerkorps kost veel meer geld dan in de Defensienota is voorzien, menen Bert Kreemers en Dick Zandee.

Een Europees legerkorps in 2003 met vijftig à zestigduizend militairen met inbegrip van marine- en luchteenheden. Daarnaast een uitgebreide Europese luchttransportvloot. Nederland zet deze week tijdens de Europese Top van Helsinki zijn handtekening onder ambitieuze plannen voor een eigen Europese defensiecapaciteit.

De Amerikaanse regering steunt en verwelkomt deze Europese defensiesamenwerking, liet de woordvoerder van de minister van Buitenlandse Zaken vorige week voor de zoveelste keer weten. Want als de Europese bondgenoten hun strijdkrachten bundelen en versterken, kan dat als hefboom dienen om de tijdens het Kosovo-conflict zo pijnlijk blootgelegde Europese militaire tekortkomingen ongedaan te maken.

De Amerikaanse minister van Defensie waarschuwde een week geleden voor de gevolgen van een nieuw Europees tekortschieten in een volgend conflict. Een herhaling zou de eenheid van de NAVO in gevaar kunnen brengen. Het voorkomen hiervan is dan ook een opgave zonder weerga. Tussen de plannen van Helsinki en de werkelijkheid in de meeste Europese landen gaapt immers een diepe kloof. Want slechts een klein deel van de militaire eenheden van de Europese landen is in staat snel te worden ingezet in crisissituaties. Dienstplichtigen vormen nog steeds het leeuwendeel van de krijgsmachten van de meeste van de vijftien lidstaten van de Europese Unie. Handhaving van een structuur die gericht is op een dreiging uit de periode van de Koude-Oorlog beperkt bovendien de inzetbaarheid.

In slechts twee landen, Groot-Brittannië en Frankrijk, leiden de huidige reorganisaties tot volledig inzetbare krijgsmachten. De meeste Europese landen handhaven mobilisabele eenheden voor grootschalige conflicten die het verdragsgebied van de NAVO zouden kunnen bedreigen. Voor Nederland geldt dat het aantal niet-mobilisabele gevechtseenheden van de Koninklijke landmacht na uitvoering van de nieuwe Defensienota bijna zestig procent bedraagt. Duitsland, het grootste Europese land, scoort met een kwart ver daaronder.

Wat betekent het voor Nederland als de Europese landen de besluiten van Helsinki gaan uitvoeren? Voor een legerkorps met de omvang van vijftig- tot zestigduizend militairen dat enige jaren moet kunnen worden ingezet in crisisoperaties zijn 150 tot 200.000 militairen nodig. Nederland neemt op dit moment iets meer dan vijf procent van de totale defensieuitgaven van de landen van de Europese Unie voor zijn rekening. Naar rato zou de Nederlandse bijdrage aan zo'n legerkorps uit 7.500 tot 10.000 militairen, negen tot twaalf bataljons, moeten bestaan. Zo'n grote bijdrage zet de samenwerking tussen Nederland en Duitsland in hun gezamenlijke legerkorps onder zware druk. In dit legerkorps heeft Nederland het grootste deel van zijn landstrijdkrachten, achttien voor vredesoperaties in te zetten bataljons waarvan de helft gevechtseenheden, ondergebracht. Als Nederland zijn eenheden niet over verschillende legerkorpsen wil versnipperen, zal naar een alternatief voor de samenwerking in het Duits-Nederlandse legerkorps moeten worden gezocht.

In dit verband is Nederland afhankelijk van de besluiten die Duitsland volgend jaar zal nemen in het kader van de reorganisatie van de sterk verouderde Bundeswehr. Bondskanselier Schröder liet vorige week weten dat van een verhoging van de defensiebegroting voor een dergelijke reorganisatie geen sprake zal zijn. De Bundeswehr zal – los van de verwerking van al afgesproken bezuinigingen – zelf de financiële ruimte moeten vinden voor de kosten van de herstructurering en voor het inhalen van een groot aantal uitgestelde materieelinvesteringen. Dat maakt snijden in de omvang van de Bundeswehr, met name in de relatief omvangrijke landstrijdkrachten, onvermijdelijk. Vooral de acht brigades van de eenheden voor de hoofdverdediging, waarvan er drie als Duitse bijdrage zijn ondergebracht in het Duits-Nederlandse legerkorps, lopen de kans te worden opgeheven. De kans dat de samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse landmacht in multinationaal, Europees verband en met andere Duitse eenheden dan nu in het Duits-Nederlandse legerkorps zal worden voortgezet, is in ieder geval niet meer denkbeeldig.

Ook de samenwerking op andere gebieden kan tot ingrijpende aanpassingen leiden. De keuze voor een gezamenlijk luchttransportcommando valt samen met de besluitvorming in zeven Europese landen over de aanschaf van nieuwe transportvliegtuigen en de ontwikkeling van een Europees toestel, de militaire versie van de Airbus 400. Van de vierhonderd grotere transportvliegtuigen van de landen van de Europese Unie moeten er de komende jaren zo'n driehonderd worden vervangen. Alleen in Duitsland al 75. De totale kosten worden geschat op 40 à 50 miljard gulden. Hoewel Nederland over relatief nieuwe transportvliegtuigen beschikt, steekt de bijdrage van vier transportvliegtuigen daarbij nogal magertjes af. Een evenredig aandeel in de totale Europese behoefte, twaalf tot vijftien toestellen, zou een forse, kostbare uitbreiding betekenen. Met of zonder extra transportvliegtuigen kan de oprichting van een gezamenlijk luchttransportcommando reeds een eerste gat in de financiële onderbouwing van de nieuwe Defensienota slaan. Andere plannen, zoals de uitbreiding van inlichtingen- en verbindingsmiddelen, met inbegrip van satellieten, zullen een extra beroep doen op een nog steeds slinkend aandeel van de materieelinvesteringen in het defensiebudget voor de komende jaren.

Van Nederland zal op korte termijn – binnen deze kabinetsperiode – het nodige worden gevraagd om het Europese tempo bij te houden. Het is een lichtpuntje dat voor een eigen, vorige week door minister De Grave gedaan voorstel voor een gezamenlijke Europese zeemacht en zeetransportvloot uitbreiding of vervanging van bestaande middelen niet nodig zijn. Maar een nieuwe oriëntatie op de Duits-Nederlandse samenwerking op landmachtgebied en nieuwe bijdragen op andere gebieden gaan met aanzienlijke kosten gepaard. Dit zijn nieuwe, een jaar geleden nog niet voorzienbare argumenten om de in het regeerakkoord vastgelegde bezuiningen op de defensiebegroting vanuit het nieuwe Europese perspectief te heroverwegen. Anders dreigt Nederland de boot te missen bij de nadere uitwerking van de in Helsinki te nemen besluiten over nauwere Europese defensiesamenwerking.

Bert Kreemers en Dick Zandee zijn verbonden aan de afdeling Onderzoek van het Instituut Clingendael.