Bolkestein-effect bestaat niet

Veel kiezers vonden vorig jaar Frits Bolkestein minder aantrekkelijk dan zijn partij, de VVD.

Het `Bolkestein-effect' bestaat niet. De winst van de VVD bij de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar is eerder ondanks dan dankzij het optreden van toenmalig politiek leider F. Bolkestein behaald.

Tot die conclusie komen de Leidse politicologen G.A. Irwin en J.J.M van Holsteyn in hun bijdrage aan een themanummer van het tijdschrift Acta Politica, dat deze maand verschijnt. Daarin worden de resultaten geanalyseerd van het Nationaal Kiezersonderzoek 1998. Deze grootschalige wetenschappelijke enquête, waarbij alle politicologische centra van Nederland betrokken zijn, wordt na alle verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Deze keer zijn 2.101 kiezers ondervraagd.

Het succes van de VVD – de partij ging van 31 naar 38 zetels – ontstond ,,meer ondanks dan dankzij de populariteit van partijleider Frits Bolkestein'', schrijven Irwin en Van Holsteyn. ,,Bolkestein bewees niet erg aantrekkelijk te zijn voor veel kiezers; sterker nog, veel kiezers vonden hem minder aantrekkelijk dan zijn partij.''

Bij het onderzoek is kiezers gevraagd hun sympathie voor politieke partijen en lijstrekkers weer te geven op een schaal van 1 tot 100. Bolkestein scoort daarbij een gemiddelde van 50, iets lager dan de sympathie die de kiezer heeft voor de VVD (52). De score van Bolkestein is daarmee de laagste van alle leiders van de grote partijen, en aan de `koude kant' van de sympathieschaal, aldus de twee onderzoekers. Bij de PvdA is het verschil tussen de sympathie voor politiek leider W. Kok en voor zijn partij juist groot. Kok scoort 72 op de sympathieschaal, terwijl de PvdA uitkomt op 64. Ook P. Rosenmöller van GroenLinks stijgt ver uit boven zijn partij. Hij kwam uit op 63, terwijl zijn partij bleef steken op 55. Zij kunnen als lijsttrekkers dus extra stemmen binnenhalen voor hun partij.

Bij het onderzoek is ook gevraagd of kiezers een lijsttrekker hoger of lager aanslaan dan zijn partij. Meer dan de helft van de kiezers (51 procent) slaat Kok hoger aan dan de PvdA. Kok is daarmee de politicus die het verst uitstijgt boven zijn partij. Slechts 19 procent van de kiezers slaat Kok minder hoog aan dan zijn partij. Rosenmöller wordt door 38 procent van het electoraat sympathieker bevonden dan GroenLinks en slechts door 17 procent minder sympathiek. Bij de VVD was de situatie precies andersom. Slechts ruim een kwart van de kiezers (28 procent) vond Bolkestein sympathieker dan zijn partij, terwijl bijna veertig procent van de kiezers hem minder sympathiek vond dan de VVD (37 procent).

Bolkestein besloot tijdens de kabinetsformatie in 1994 om als fractieleider van de VVD in de Tweede Kamer te blijven en niet plaats te nemen in het kabinet-Kok. Met zijn soms scherpe kritiek op het regeringsbeleid en spraakmakende bijdragen aan de opiniepagina's van kranten, groeide Bolkestein uit tot de meest besproken politicus van de vorige kabinetsperiode. Irwin en Van Holsteyn concluderen desondanks dat Bolkestein ,,geen uitgesproken sterke leider'' was voor de VVD bij de Kamerverkiezingen. De geringe sympathie voor Bolkestein verklaart mogelijk de aarzeling van het VVD-campagneteam om, tijdens de aanloop naar de verkiezingen, Bolkestein als potentiële premier tegenover Kok te positioneren.

De winst van de VVD moet worden verklaard uit ,,andere factoren dan sympathie voor de partijleider'', bijvoorbeeld instemming met het beleid van de VVD en tevredenheid over het economisch klimaat, waarvan overigens ook de PvdA kon profiteren. Ook groeit de `natuurlijke achterban' van de VVD, de niet-gelovige middenklasse.

CDA-leider J. De Hoop Scheffer bleef op de sympathieschaal steken op 52, het CDA op 55.