Beatrix' ergernis over de pers is geheel terecht

Hoe slecht de Nederlandse pers tegen kritiek kan, bleek toen de koningin vorige week de media onder vuur nam. Frénk van der Linden, een van de verslaggevers die het gewraakte gesprek met de vorstin voerde, betoogt dat de kern van Beatrix' litanie serieus moet worden genomen.

De krant is een meneer, en meneer is op zijn pik getrapt – door een vorstelijke naaldhak. Al een week zijn de media in rep en roer over de opmerkingen die koningin Beatrix zich tijdens een receptie van het Genootschap van Hoofdredacteuren veroorloofde in haar gesprek met een groepje journalisten. Want hoezeer de Nederlandse pers ook is gesteld op kritische kanttekeningen bij n'importe welk maatschappelijk fenomeen, als het gaat om een aanval op haar eigen handelen, reageert zij alsof vijandelijke troepen het land dreigen te bezetten.

Wie op zaterdag 27 november tegenover de koningin stond, merkte binnen enkele minuten dat zij woedend was. De majesteit sprak op bittere toon en met strakke mond over het falen van 's lands verslaggeverskorps. Zwaaiend met een vinger wees zij letterlijk en figuurlijk reporters terecht. In goede aarde is haar vervolgens alom gepubliceerde vermaan niet gevallen. Commentaarschrijvers, columnisten en andere opiniemakers ridiculiseren Beatrix' betoog: het is even onzinnig als wereldvreemd. Voor zover het de koninklijke opvatting betreft dat de kwaliteit van de pers de afgelopen twintig jaar ernstig achteruit is gegaan (conclusie: `De leugen regeert'), is die verbolgen reactie van journalisten terecht. Door de uitbreiding van redacties, het aanstellen van meer en meer universitair geschoolde specialisten, de steeds frequentere inzet van researchers en het uitdijende correspondentennet is de betrouwbaarheid van de meeste media toegenomen.

Maar net zo overdreven als de kritiek van de koningin is de kritiek van de pers daarop. De Nederlandse journalistiek blinkt niet uit in zelfanalyse. André Spoor, voormalig hoofdredacteur van NRC Handelsblad, mag die houding graag hekelen. Hij schreef eens: ,,De journalistiek is een maatschappelijk machtsveld dat zichzelf niet ter discussie stelt. En dit laatste is nodig om vitaal en levensvatbaar te blijven. Het gevaar bestaat anders dat, terwijl men vroeger de boodschapper vaak dood sloeg, de boodschapper zichzelf nu doodzwijgt.'' Spoor liet dan ook blijken scherpe observaties van buitenaf te verwelkomen.

Vrijwel alle reacties van de media op de beschaafde tirade van koningin Beatrix getuigen van een minder welwillende benadering: de koninklijke klacht dat de leugen regeert in de pers is onzin, punt uit. Op die manier wordt het kind met het badwater weggegooid. Feit is dat kranten, weekbladen, het journaal en actualiteitenrubrieken grossieren in mankementen. Dat is niet verwonderlijk: journalistiek komt over het algemeen neer op het binnen een te korte tijdspanne, en kampend met een tekort aan kennis en redactionele ruimte moeten weergeven van zoiets ingewikkelds als de maatschappelijke werkelijkheid en waarheid. Geen speelgoedfabrikant, geen ambtelijke werkgroep, geen artiest zou een product durven presenteren waaraan zoveel hapert als aan journalistieke waar. Niet dat de misslagen moedwillig worden gemaakt, het zijn de faux pas van mensen die werken op een plek waar de onvolmaaktheid heerst, het tekortschieten onvermijdelijk is. Ook mijn kopij draagt er de sporen van.

De ruwe schets van de geschiedenis die lezers en kijkers dagelijks in de kolommen en op de buis krijgen voorgeschoteld bevat vaak kleine, soms grote fouten. Van de veronderstelde massamoord op het Pekingse Plein van de Hemelse Vrede tot de vermeende uitspraken van Mickey Huybregtsen. Van verzonnen features tot ongecheckte Internetpraat uit het toetsenbord van homoseksuelen betreffende anaal verkeer met HIV-geïnfecteerden. Van een fake-interview met de Jordaanse koning Hoessein tot de onjuiste melding van een CDA-verkiezingsnederlaag. Van zogenaamde executies op grote schaal in Timisoara tot de vele speculaties over de lading die de El Al-Boeing zou hebben vervoerd. De optelsom van zulke uitglijders en dwalingen wekt de indruk dat in het calvinistische Nederland de opinie tot op de dag van vandaag een hogere status geniet dan het feit.

Recentelijk mocht koningin Beatrix beleven dat in de berichtgeving over de liefdes van haar zoon, kroonprins Willem Alexander, nogal wat onjuistheden slopen. Artikelen over Emily en Maxima leken niet zelden aan de goktafel geschreven. In sommige opzichten zaten de `kwaliteitskranten' (inclusief NRC Handelsblad) er op dit voor hen tamelijk nieuwe gebied nog meer naast dan de over tal van zegslieden beschikkende roddelbladen. Redacties die proberen hun onthullingen te verifiëren, krijgen van de Rijksvoorlichtingsdienst vaak botweg nul op het rekest. Troonopvolger Willem-Alexander blies een paar dagen terug het begrip monarchale ongeloofwaardigheid nieuw leven in door mee te delen dat hij geen commentaar kon geven op de affaire-Beatrix omdat hij er niets over had vernomen (,,Ik heb niks gelezen en niks gezien''). Toch is het zwijgen van de Oranjes en hun voorlichtingsapparaat geen overtuigend excuus voor journalistiek falen. Bij twijfel zit er in dergelijke gevallen niets anders op dan publicatie (deels) achterwege te laten en verder te spitten naar onderbouwing van de scoop. Uit concurrentie-overwegingen en primeurgeilheid wordt dat beginsel regelmatig vergeten. Mogelijk heeft koningin Beatrix uit gekwetstheid en ergernis over zo'n gebrekkige moraal de pers ondoordacht en gechargeerd beoordeeld.

Het kan geen kwaad de kern van haar litanie over slordigheden, spelfouten, eenzijdigheid, onzorgvuldigheden en leugenachtigheid serieus te nemen en tegenover het publiek te beamen. Helaas bestaat er tot op de dag van vandaag een klimaat van verzet in de media tegen het bekennen van blunders: lang niet ieder dagblad bijvoorbeeld heeft een correctie-rubriek, laat staan een redacteur die zich full time bezighoudt met het checken en verantwoorden van gekritiseerde reportages of interviews. David Broder, gerespecteerd politiek columnist van The Washington Post, schrijft al decennia aan het eind van december een beschouwing waarin hij zijn bloopers en verkeerde inschattingen van het achterliggende jaar uit de doeken doet; de Nederlandse Broder moet anno 1999 nog opstaan.

In haar reactie op de `slip of the tongue' van Beatrix laat de pers zich van een benepen kant zien. Als de journalistiek aanspraak wil blijven maken op het etiket `koningin der aarde', doen de vertegenwoordigers van die zelfcomplimenterende professie er verstandig aan te kiezen voor een royaler gebaar.

Frénk van der Linden is medewerker van NRC Handelsblad.